Determinatie vlgs Heukels

Bomen of struiken, 2-huizig. Bladen meestal verspreid, enkelvoudig met steunblaadjes. Bloemen in katjes.
Blad- en bloeiwijze knoppen bedekt door één enkele knopschub. Katjesschubben gaafrandig. Bloemdek afwezig, elke bloem aan de voet met 1 of 2 klieren. Meeldraden 1-5 (zelden meer) per bloem Wilg (Salix)

  1. Boom of meer dan 1 mtr hoge struik, zonder kruipende twijgen → 3
    – Lage tot 1 mtr hoge struiken, deels met kruipende twijgen → 2
  2. Bladen rimpelig, van onderen grijs-wollig behaard, aan de top kort toegespitst → zie (14) S. aurita
    – Bladen vlak of met iets omgerolde rand, kaal tot beiderzijds dicht zilverig glanzend behaard; bladtop afgerond of stomp → Kruipwilg (repens)

  3. Bladen verspreid, nooit deels tegenoverstaand → 4
    – Bladen grotendeels of althans aan het merendeel van de twijgen tegenoverstaand, evenals de katjes. Helmdraden tot bovenaan vergroeid. Bladen lijnlancetvormig en vrij dicht onder de top het breedst, van onderen blauwgroen, bij verdroging snel zwart wordend → Bittere wilg (purpurea)

  4. Bladen ten minste aan de onderzijde behaard, ook tussen de nerven → 10
    – Bladen van onderen kaal of alleen op de nerven behaard → 5
  5. Takken rond en recht → 6
    – Takken bandvormig en gedraaid, ogenschijnlijk misvormd, glanzend roodachtig bruin. → Bandwilg (Sekka)

    Fasciatie (afplatting van de takuiteinden) bij Salix sachalinensis ‘Sekka’
  6. Jonge takken niet blauwachtig berijpt → 7
    – Jonge takken blauwachtig berijpt. Bladen van boven glanzend, van onderen dof grijsgroen. Steunbladen half hartvormig. → Berijpte wilg (daphnoides)

  7. Bast van de twijgen gegroefd, niet afbladderend. Meeldraden 2 of (4-5)-10. Steunbladen klein, vaak spoedig afvallend → 8
    – Bast van de twijgen glad, olijfgroen tot roodbruin, afbladderend, de repen met naar binnen rollende randen. Stam daaronder oranjeachtig (kaneelkleurig). Twijgen niet gemakkelijk afbrekend. Meeldraden 3. Steunbladen groot, meestal blijvend. → Amandelwilg (triandra)

  8. Bladen 5-10 x zo lang als breed, van boven weinig glanzend. Twijgen en knoppen niet naar balsem geurend. Meeldraden 2 → 9
    -Bladen 2-4 x zo lang als breed, 5-12 cm lang, van boven sterk glanzend. Twijgen en knoppen bij wrijven naar balsem geurend. Top van de bladsteel en bladvoet met klieren → Laurierwilg (pentandra)

  9. Bladen van onderen kaal of in de jeugd spaarzaam behaard. kleverig, onder het midden het breedst. Twijgen kaal, gemakkelijk afbrekend, olijfgroen. Bladsteel aan de top met 1 paar klieren. Honingklieren 2, veel korter dan de steel van het vruchtbeginsel. → Kraakwilg ( fragilis) (de bastaard S x rubens wordt aangeplant en komt vaker voor)


    Bladen van onderen meer of minder dicht zijdeachtig behaard, van boven kaal tot zijdeachtig behaard, niet kleverig, in het midden het breedst. Twijgen niet gemakkelijk afbrekend, bruin, geel of rood. Bladsteel aan de top zonder klieren → zie (11) S alba

  10. Bladen 2-4 x zo lang als breed, zonder glanzende beharing → 13
    Bladen 4 of meer x zo lang als breed, met zilverig glanzende beharing → 11
  11. Bladrand naar beneden gerold. Zijnerven aan de onderzijde uitspringend. Stijlen en stempels lang. Schutbladen aan de top donker gevlekt. Struiken, zelden bomen → 12
    – Bladrand vlak, zijnerven aan de onderzijde niet uitspringend. Stijlen en stempels kort. Schutbladen ongevlekt, geelgroen. Bomen → Schietwilg (alba)


  12. Twijgen blijvend dicht grauw of zwartachtig behaard. Bladen 4-7 x zo lang als breed, 2-3 cm breed (8-)10-20 cm lang. Hout van de 2-4 jarig takken met verspreide, enigszins verheven lijsten. Bladsteel 1-1,5 cm lang. Steunbladen lancetvormig, spoedig afvallend → Duitse dot (dasyclados)

    – Twijgen in de jeugd grijsachtig behaard, spoedig verkalend en geel. Bladen 7-20 x zo lang als breed. 0,5 – ,5 cm breed, 10-25 cm lang. Hout onder de bast glad → Katwilg (viminalis)

  13. Hout van 2-4-jarige takken met verspreide, onregelmatige lijsten (van een verse tak een reepje bast aftrekken) → 14
    – Hout onder de bast glad. Bladen (3-)5-8(-15) cm lang, elliptisch tot eirond, op appelbladen gelijken, ten slotte van boven iets glanzig, van onderen grijsviltig. Knopschubben kort behaard, kaal wordend. Steunbladen half-hartvormig, meestal groot → Boswilg (caprea)

  14. Bladen ongekeerd eirond tot ruitvormig (1-)2-3 cm lang, zelden langer, van boven kaal worden, dofgroen, rimpelig, van onderen grijswollig behaard, grijsgroen, met korte teruggekromde top en met 6-10 nerven aan weerszijden. Steunbladen half hart-tot niervormig, groot, blijvend. → Geoorde wilg (aurita)


    – 
    Jonge takken grijsviltig, knopschubben behaard. Bladen langwerpig of omgekeerd eirond, 2,5-6 cm lang, van onderen voornamelijk op de nerven grijs behaard, blauwgrijs, met vlakke top en met 8 of meer nerven aan weerszijden. Steunbladen half hart- tot niervormig, klein, soms afvallend → Grauwe wilg (cinerea)

     

    grauwe wilg x geoorde wilg
    katwilg x grauwe wilg