Determinatiesleutel vlgs West-vlaamse intercommunale dienstverlening, Arnout Zwaenepoel

1a. Bomen en struiken, hoger dan 1 meter → 2
1b. Kleine struikjes en dwergstruikjes, gewoonlijk minder dan 1 m hoog → 59

2a. Bladeren lineair, lancetvormig, omgekeerd lancetvormig of smal langwerpig-elliptisch, meer dan 3 maal zo lang als breed, top meestal spits of toegespitst → 3
2b. Bladeren elliptisch, eirond, omgekeerd eirond of min of meer cirkelrond; niet meer dan 3 maal zo lang als breed → 41

3a. Bladrand gezaagd tot fijn getand → 4
3b. Bladeren gaafrandig of quasi gaafrandig; soms met beperkte tanding; de tanding dan vooral naar de bladtop toe meer uitgesproken → 30

4a. Twijgen berijpt, met een wittig waslaagje op meestal paars-bruine stengels. Laat op het seizoen vooral naar de tak-uiteinden kijken!  → 5
4b. Twijgen niet berijpt → 6

berijpte-twijg-van-berijpte-wilg

5a. Struik of kleine boom, tot circa 10 m hoog. Jonge twijgen purperkleurig en niet behaard, vaak overhangend. Blad (met bladsteel erbij) 5-15 cm lang, 0,7-2 cm breed. Zeldzame soort; alle aangetroffen exemplaren zijn aanwijsbaar aangeplant, hetzij als zandfixeerder in de duinen of op bruggenhoofden, hetzij als tuinplant; echte verwildering is nog niet vastgesteld; reeds eind 18de eeuw uit Rusland of Siberië geïmporteerd → S. acutifolia (Kaspische zandwilg)
5b. Struik of kleine boom, tot circa 10 m hoog. Jonge twijgen purperkleurig en niet behaard, afstaand of opgericht, niet hangend. Blad (met bladsteel erbij) 5-8,8 cm lang en 10-20 mm breed. Zeldzame soort. Alle exemplaren zijn geplant, maar solitaire exemplaren in de duinen geven soms de indruk spontaan te zijn. → S. daphnoides (Berijpte wilg)
5c. Struikje van 1,5-3 m hoog; twijgen purperkleurig en wit behaard; bladeren 7-12 cm lang; zeldzame sierplant, uitzonderlijk verwilderd → S. irrorata (geen officiële Nederlandse naam)

Witbehaard twijguiteinde van Salix irrorata

6a. Steunblaadjes (stipulen) opvallend en bij sommige taxa lang persistent. Planten toch steeds goed nakijken aan de stengeltoppen; bij sommige taxa zijn de stipulen opvallend, maar niet lang persistent! → 7
6b. Steunblaadjes onopvallend en vroegtijdig afvallend, vaak zelfs helemaal afwezig. Schors enigszins ruw tot gegroefd, niet in opvallende plakken afvallend → 14

7a. Schors niet in plakkaten afvallend; bladbovenzijde mat of behaard, niet kaal en niet glanzend → 8
7b. Schors glad en bij oudere stammen afvallend in plakkaten, zodat opvallende oranje vlekken op de stam achterblijven; struiken of kleine bomen; blad enigszins leerachtig en ondoorzichtig, bladbovenzijde glanzend → 9

In plakkaten afvallende schors bij Amandelwilg
(foto) of Amandelwilg x Katwilg

8a. Struik tot 2-3 m hoog, met lange zeer buigzame takken; blad niet leerachtig, maar dun; bladbovenzijde mat; jongste blaadjes roodpaars en doorzichtig ; middennerf van het blad aanvankelijk paars, bij ouder worden opvallend bleek, vooral aan de bovenzijde van het blad; uitsluitend mannelijke kloon bekend in Vlaanderen; plant van voormalige wijmenteelt-locaties; zeldzaam, maar wél verspreid voorkomend, vaak in gezelschap van andere mandenmakerswilgen → Salix eriocephala (geen officiële Nederlandse naam; in mandenmakersterminologie: ‘Amerikaantjes’ of ‘Duits rood’)
8b. Struik of kleine boom; blad verspreid behaard aan boven- en onderzijde, grijsgroen, fijn getand, tamelijk Schietwilg-achtig; uiteinden van de takken min of meer kantig (Amandelwilgachtig), steunblaadjes 1 mm breed, 3 mm lang; vruchtjes kaal (in tegenstelling tot S. x mollissima!); stijl kort (in tegenstelling tot S. x mollissima); enkel de vrouwelijke plant is al in Vlaanderen aangetroffen; zeer zeldzame kruising, tot nog toe uitsluitend bekend van één plaats aan de Dijle → S. x erythroclados (Amandel x Schietwilg)

Mannelijk katje van Salix eriocephala
(Amerikaantjes, Duits rood)

9a. Stengels kantig en glad; alleen allerjongste blaadjes behaard, daarna zeer snel kaal; steunblaadjes spits of kort toegespitst, soms stomp of afgerond. Bladeren 3-12 (–17) cm lang, 1-3 (-4) cm breed, onderaan ofwel blauwachtig-groen, ofwel groen. Mannelijke en vrouwelijke planten mogelijk. Wijd verspreide soort.  → Salix triandra (Amandelwilg) → 10
9b. Stengels glad en rond of weinig kantig; jonge bladeren en stengels (donzig) behaard, en dit geruime tijd blijvend; steunblaadjes uitlopend in een lang, spits uiteinde; aan de top van de bladsteel zijn bij jonge bladeren twee karakteristieke steunblad-achtige aanhangsels te zien (jonge bladeren aan de toppen van snelgroeiende takken bekijken! ) → 13

10a. Eenjarige twijgen groengeel (twijguiteinden aan de naar het licht toegekeerde zijde bekijken); vooral vrouwelijke planten. → Salix triandra ‘Groene reins’ (Amandelwilg, groep van cultuurvariëteiten, in de mandenmakersterminologie ‘Groene reins’ genoemd)
10b. Eenjarige twijgen olijfgroen, bruin of grijsbruin (twijguiteinden aan de naar het licht toegekeerde zijde bekijken); mannelijke en vrouwelijke planten mogelijk → 11

Groengele twijgen van Amandelwilg
(Salix triandra) klonengroep ‘Groene reins’

11a. Eenjarige twijgen bruin; mannelijke en vrouwelijke planten zijn mogelijk → 12
11b. Eenjarige twijgen olijfgroen; mannelijke én vrouwelijke planten zijn mogelijk → Salix triandra (Amandelwilg-restgroep, met mogelijk een aantal autochtone Amandelwilgen, maar vermoedelijk ook vooral of misschien zelfs uitsluitend zaailingen van cultuurvariëteiten)

12a. Eenjarige twijgen koffie-en-melk-kleurig bruin; mannelijke kloon of klonengroep; vrij lage, sterk vertakte struik → Salix triandra ‘koffiekleur’ (Amandelwilg, cultuurvariëteit of meer waarschijnlijk groep van cultuurvariëteiten voor de mandenmakerij, in de volksmond vaak ‘Zwarte reins’ genoemd, naam die echter ook aan de volgende kloon-groep toegekend wordt )
12b. Eenjarige twijgen donker, chocoladekleurig bruin; vrouwelijke kloon of klonengroep, vrij hoge, niet al te sterk vertakte struik → Salix triandra ‘Chocoladekleur’ (Amandelwilg, groep van cultuurvariëteiten voor de mandenmakerij, in de volksmond in Vlaanderen vaak ‘Zwarte reins’ genoemd, naam die echter ook aan de vorige kloon-groep toegekend wordt). 

Amandelwilg (Salix triandra) met donkerchocoladebruine
twijgen. Links: “Zwarte reins”, rechts “Zwarte driebast”

13a. Twijgen in de loop van het seizoen vrijwel kaal wordend; uitsluitend vrouwelijke kloon; in vergelijking met de volgende kloon lichtgekleurde struik; laat op het seizoen van ver herkenbaar aan typische goudgeelverkleuring. Wijd verspreid als mandenmakerswilg of vegetatief verwilderd; algemener dan Amandelwilg. → S. x mollissima var. Undulata (Amandelwilg x Katwilg; geen officiële Nederlandse naam; in de mandenmakersterminologie: ‘Lerenband’)
13b. Twijgen in de loop van het seizoen donzig behaard blijvend; uitsluitend vrouwelijke kloon; in vergelijking met de vorige variëteit vrij donker gekleurd. Zeldzamer aangetroffen dan vorig taxon, maar met ongeveer hetzelfde verspreidingspatroon → S. x mollissima var ‘Behaarde twijg’ (Amandelwilg x Katwilg; geen officiële Nederlandse naam; in de mandenmakersterminologie: ‘Lerenband’)

14a. Takken overhangend (‘treurend’) → 15
14b. Takken opstaand tot opgericht → 16

15a. Twijgen groengeel of oranjegeel; takken uitgesproken hangend. Bijna uitsluitend mannelijke exemplaren aangeplant. Zeer algemeen aangeplant, zelden verwilderd → S. x sepulcralis ‘Chrysocoma’ (meest voorkomende Treurwilg-variëteit)
15b. Twijgen groen of bruingroen, niet gelig of oranje; takken iets minder afhangend → S. x sepulcralis ‘Sepulcralis’ (zeer zeldzame, 19de eeuwse Treurwilg-variëteit)

Salix x sepulcralis ‘Chrysocoma’ Treurwilg, links mannelijke bloeiende

16a. Bladeren zwart wordend bij drogen. Bladrand gaafrandig in het onderste derde, fijn getand in het bovenste derde van het blad. Grootste bladbreedte op een derde van de top. Bladeren 6-13 cm lang en 12-28 mm breed. Struik van 2-3 m hoog. Twijgen grijsbruin zoals Bittere wilg. Blad op het blote oog quasi kaal ogend, maar met een loupe toch enigszins behaard op de onderzijde; uitsluitend vrouwelijke planten bekend in Vlaanderen, van slechts één plaats, namelijk de Schelde-oevers in Hingene (Bornem)  → S. x forbyana (Bittere x Kat- x Grauwe? wilg)
16b. Bladeren niet zwart wordend bij drogen (soms wel donkerbruin door schimmelaantastingen!); blad fijn of grof getand over de hele lengte, grootste bladbreedte ongeveer in het midden, struiken of bomen → 17

17a. Bladeren breder dan 1,5 cm; jonge takjes en zelfs twee- tot meerjarige takken zeer gemakkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt, zonder dat daarbij schorsdelen van de oudere takken meekomen. Bladeren enigszins blinkend bovenaan; bladeren niet dicht zijdeachtig behaard in het midden van het seizoen (juni-augustus) → 18
17b. Bladeren smaller dan 1,5 cm of bladeren breder. Als de bladeren breder zijn dan zijn twee combinaties mogelijk.
1) Bladeren niet dicht behaard in het midden van het seizoen en takken niet zeer gemakkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt ofwel
2) bladeren wél dicht behaard in het midden van het bloeiseizoen, en takjes vlot afbrekend bij de basis → 23

18a. Twijgen en bladeren volledig kaal, ook in zeer jonge toestand; twijgkleur afwijkend van alle andere verwante taxa: aanvankelijk karmijnrood, later karakteristiek grijs-okerlichtbruin . Zeer zeldzame cultuurvariëteit, slechts enkele keren aangetroffen met individuele exemplaren → S. fragilis var decipiens (Kraakwilg-cultuurvariëteit)
18b. Twijgen en blaadjes in jonge toestand behaard, later spaarzaam behaard tot bijna kaal → 19

Karmijnrode kleur van jonge twijgen van de
Kraakwilgvariëteit Salix fragilis variëteit decipiens

19a. Eénjarige twijgen geel-oranje tot oranje-rood → 20
19b. Eenjarige twijgen anders gekleurd (groen, olijfgroen, donkergroen, bruin, bruinpaars of roodbruin) → 21

20a. Bladeren 9-15 cm lang, met lang, spits uiteinde; mannelijke en vrouwelijke exemplaren mogelijk; vrouwelijke katjes langer dan 6 cm ; éénjarige twijgen geel-oranje. Zeer sterk verspreide en al eeuwen gebruikte mandenmakerswilg; zaait ook uit en verwildert zowel uit zaad als vegetatief → S. x rubens var. basfordiana forma basfordiana (geen officiële Nederlandse naam; in de mandenmakersterminologie: ‘Gele wijmen’)
20b. Bladeren minder dan 9 cm lang, korter toegspitst dan vorige; eveneens mannelijke en vrouwelijke exemplaren mogelijk; vrouwelijke katjes korter dan 6 cm ; jonge twijgen geel-oranje maar naar de top toe oranje-rood. Zeer sterk verspreide en al eeuwen gebruikte mandenmakerswilg; zaait ook uit en verwildert zowel uit zaad als vegetatief → S. x rubens var. basfordiana forma sanguinea (geen officiële Nederlandse naam; in de mandenmakersterminologie: ‘Gele wijmen’ ‘Vlaams rood’ of ‘Frans geelrood’)

karakteristieke kleuren van Salix x rubens var basfordiana. Links ‘Gele Wijmen’, rechts ‘Vlaams rood’

21a. Jonge bladeren aan de takuiteinden meer dan 3 cm breed; uitsluitend mannelijke struiken of bomen → 22
21b. Bladeren doorgaans smaller dan 3 cm, ook bij jonge twijgen; 9-15 cm lang, 1,5-3 cm breed; mannelijke én vrouwelijke bomen mogelijk; zowel vrij uitgroeiende bomen aan rivieroevers, als minder frequent, knotbomen in het cultuurlandschap. Onze meest verspreide en de enige autochtone Kraakwilgvariëteit → S. fragilis var. fragilis (Kraakwilg, vermoedelijk de enige oorspronkelijk inheemse variëteit)

Links: Mannelijke katjes Kraakwilg, rechts: vrouwelijke

22a. Een deel van de mannelijke katjes bifurcaat; hoofdnerf van het blad witgroenig aan de bovenzijde van het blad. Zeldzame variëteit die verspreid aangetroffen is in Vlaanderen. Nog niet in Nederland en Wallonië aangetoond → S. fragilis var. Furcata (Kraakwilg-cultuurvariëteit)
22b. Mannelijke katjes niet vertakt aan het uiteinde, maar wél onregelmatig bochtig; hoofdnerf van het blad vaak roze-achtig aan de bovenzijde van het blad; voormalige mandenmakerswilg; tot nog toe uitsluitend aangetroffen aan de Grensmaas, zowel op Vlaams als Nederlands grondgebied → S. fragilis var.  Mosana (Kraakwilg-cultuurvariëteit)

Bifurcaat vertakt mannelijk katje van Salix fragilis var. furcata

23a. Bladeren smaller dan 1,5 cm; twijgen al dan niet gemakkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt; bladeren vrij sterk behaard tot laat in het seizoen → 24
23b. Bladeren breder dan 1,5 cm; bladeren bijna kaal in het midden van het seizoen (juni, juli) en twijgen minder gemakkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt of bladeren nog vrij sterk behaard in het midden van het seizoen en twijgen relatief gemakkelijk afbrekend bij de basis → 27

24a. Twijgen geel; blad blijft vrij sterk behaard tot op het einde van het seizoen (in tegenstelling tot S. x rubens var. basfordiana!); taxon te zoeken; nog niet met zekerheid aangetroffen → S. alba var. vitellina (Schietwilg-variëteit)
24b. Twijgkleur variabel, vaak roodachtig bij snelgroeiende jonge twijgen, later meestal olijfgroen of lichtbruin → 25

25a. Takken sterk kronkelig; bladeren vaak gekromd-hol; zeer algemene sierboom; uitsluitend vrouwelijke planten; toch vaak spontaan uitgezaaid en verwilderd, wellicht door kruising met S. alba of S. x rubens) → S. babylonica var. Pekinensis ‘Tortuosa’ 
25b. Takken niet kronkelig; bladeren niet hol → 26

26a. Twijgjes makkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt (kenmerk dat vaak ten onrechte alleen aan Kraakwilg toegekend wordt!); blad sterk behaard aan beide zijden tot laat in het seizoen; boom van ver een zilverachtig-blauwe kleur vertonend; meest voorkomende knotboom, ook vaak als vrij uitgroeiende boom → S. alba var. alba (Schietwilg).


26b. Twijgjes minder gemakkelijk afbrekend bij het aanhechtingspunt; blad aanvankelijk sterk behaard aan beide zijden, maar later op het seizoen meer kalend dan vorige, hoewel hier geen absolute grens is te trekken; boom van ver groener ogend dan vorige; vaak zijn in dezelfde rij knotbomen verschillende tinten groen tot groenblauw waarneembaar, indicatief voor het door elkaar voorkomen van deze en vorige wilg; blad vertoont vaker bruine vlekjes van een schimmelaantasting dan vorige (Marsonina-schimmel); zeer frequent als knotboom; ook als vrij uitgroeiende boom → S. x rubens (Schiet- x Kraakwilg)

Schietwilg x kraakwilg

27a. Wilg met quasi alle kenmerken van S. alba var. alba, behalve een blad dat breder is dan 1,5 cm; voor de rest ook zilver-blauwachtige kleur, landurig sterk behaard; takjes vrij gemakkelijk afbrekend bij de basis; eerder zeldzaam, soms aangeplant, maar ook spontaan → S. x rubens var. caerulea (geen officiële Nederlandse benaming; letterlijk uit het Engels vertaald: de ‘Cricketstokwilg’)
27b. Blad vroeg in het seizoen enigszins tot tamelijk behaard, maar naarmate het seizoen vordert vrijwel kaal  wordend; kleur bruingroen (vaak met donkerbruine schimmelvlekken), groen tot groen-blauw, maar niet zilverachtig-blauw; takjes niet echt vlot afkrakend bij de basis; meestal komt bij het afkraken een stuk schors mee van de tak waarop het takje vastzat → 28

28a. Bladeren tot 9 cm lang en 2-3 cm breed, zwak behaard → S. x rubens var. ‘Kort blad’ (Salix x rubens-cultuurvariëteit, vrij verspreid voorkomend, mogelijk niet één maar meerdere klonen)
28b. Blad langer, tot 13-15 cm → 29

29a. Uitsluitend vrouwelijke kloon, op plaatsen die meestal voormalige mandenmakerij verraden; blad met quasi alle kenmerken van S. fragilis var. fragilis, maar steunblaadjes forser, vaak getand (vooral bij jonge bladeren kijken); ook de klieren op de bladsteel zijn vaak bladachtig uitgegroeid ; blad bovenaan donker iets blinkend groen, onderaan enigszins blauwachtig; takjes breken minder gemakkelijk af dan bij S. fragilis var. fragilis ; boom met meer opgaande groeiwijze dan S. fragilis var. fragilis; taxon met intermediaire kenmerken tussen Kraakwilg en Schiet- x Kraakwilg, dat in het veld vaak moeilijk tot één van beide toe te wijzen is; alleen genetische controle biedt ultieme determinatiezekerheid; vermoedelijk niet echt zeldzaam, maar ongetwijfeld zeer vaak over het hoofd gezien, wegens determinatiemoeilijkheden→ S. fragilis var. russeliana (Kraakwilg-cultuurvariëteit )
29b. Mannelijke en vrouwelijke bomen, sterk lijkend op vorige en vaak alleen te onderscheiden wanneer op meerdere momenten van het jaar gekeken wordt naar verschillende kenmerken; meestal niet aangeplant; vaak spontane zaailingen; bladbovenzijde iets matter dan bij vorige; bladonderzijde eerder groen dan blauwachtig; jonge twijgen nog minder gemakkelijk afbrekend van het aanhechtingspunt dan vorige → S. x rubens-restgroep (Schiet- x Kraakwilg-restgroep, van ten dele spontane kruisingen, ten dele cultuurvariëteiten zonder specifieke benaming)

30a. Stengels en bladeren kaal; binnenzijde van de schors geel; bladeren vooral aan de stengeltoppen (schijnbaar) tegenoverstaand; blaadjes zwart wordend bij drogen: bladrand meestal gaafrandig onderaan maar vaak zeer fijn getand aan de top van het blad → 31
30b. Stengels en bladeren (soms zwak) behaard ; de onderkant van de bladeren blijft (soms zwak!) behaard doorheen het seizoen; bladeren (meestal) verspreid, blaadjes meestal niet zwart wordend bij drogen (met uitzondering van S. x rubra waar het wél soms optreedt); bladrand gaafrandig (met uitzondering van S. x rubra waar aan de top van het blad soms een zeer fijne tanding optreedt) → 32

31a. Bladeren omgekeerd eirond tot spatelvormig; de grootste bladbreedte duidelijk boven het midden; plant van vooral natuurlijke standplaatsen (natte bosjes en rivieroevers met kalkrijk substraat); taxon verbonden door een hele reeks geleidelijke overgangen met het volgende. In Vlaanderen zeldzaam wegens gebrek aan kalkbodems; in Wallonië algemener; in Nederland vooral langs de grote rivieren → S. purpurea subspecies lambertiana (Bittere wilg)

Bittere wilg

31b. Bladeren vooral bij langloten smal, lineair-langwerpig, gaafrandig tot bijna gaafrandig, maar de bladtop meestal wél fijn getand; de grootste bladbreedte weliswaar ook aan de top van het blad, maar niet erg opvallend; taxon dat in Vlaanderen uitsluitend als (verwilderde) cultuurplant aangetroffen wordt. Vrij zeldzaam en bijna steeds in de nabijheid van andere mandenmakerswilgen aangetroffen. In kalkrijke streken van Wallonië wellicht ook als autochtone populaties voorkomend → S. purpurea subspecies purpurea (Bittere wilg-cultuurvariëteiten)

(Schijnbaar) tegenoverstaande blaadjes van Bittere wilg subspecies lambertiana en purpurea

32a. Bladeren in de loop van het seizoen kalend aan beide zijden; moment en graad van kaal worden zijn bij S. x rubra erg afhankelijk van het moederschap van de kruising; als Katwilg de vrouwelijke ouder is dan wordt de plant minder kaal dan wanneer Bittere wilg de vrouwelijke ouder is! Blaadjes soms zwart wordend bij drogen (ook dat vooral bij S. x rubra wanneer Bittere wilg de vrouwelijke ouder is van de kruising) → 33
32b. Bladeren duidelijk sterk behaard blijvend doorheen het seizoen, minstens aan de onderzijde; blaadjes niet zwart wordend bij drogen → 34

33a. Bladeren in de loop van het seizoen kalend aan beide zijden of zwak behaard aan beide zijden; afhankelijk van de moederplant meest lijkend op Katwilg dan wel op Bittere wilg; blad bij drogen soms min of meer zwart kleurend (vooral als de moederplant Bittere wilg is); grote groep van cultuurvariëteiten; blad 4-13 cm lang en 6-15 mm breed; bladrand vlak of lichtjes omgerold, zwak getand tot gaaf; twijgen rond, nooit afgeplat; in de 19de eeuw blijkbaar een algemene cultuurplant (mandenmakerswilg), nu in Vlaanderen en Nederland nog slechts sporadisch verwilderd aangetroffen. → S. x rubra (Katwilg x Bittere wilg)
33b. Bladeren zwak behaard op de onderzijde van het blad, vaak alleen nog op de nerven; blad 10-23 cm lang en 15-32 mm breed; bladrand zwak getand en enigszins omgerold; blad bovenaan glimmend groen, onderaan blauwgroen; takken aan de uiteinden sterk afgeplat ; uitsluitend mannelijke planten; hoofdzakelijk als sierplant aangeplante struik, nog maar zelden verwilderd aangetroffen → S. sachalinensis ‘Sekka’

Fasciatie (afplatting van de takuiteinden) bij Salix sachalinensis ‘Sekka’

34a. Bladeren van zowel kortloten als langloten lineair of lineair lancetvormig; de bladranden zijn quasi parallel → 35
34b. Bladeren van de kortloten lancetvormig of smal elliptisch; de bladranden zijn convex en niet parallel (opgelet: bij de langloten kunnen ze soms wél parallel zijn!) → 36

35a. Bladonderzijde zijdeachtig behaard, met aanliggende beharing; blad (5)-11-14-(16) cm lang en (0,7)-1,0-1,2-(1,5) cm breed ; ovarium behaard → S. viminalis (Katwilg;  wijd verspreid met talrijke variëteiten die onderscheiden worden aan de takkleur van de eenjarige twijgen; de kleur is meest opvallend in de winter 
35b. Bladonderzijde wit-donzig, niet zijdeachtig; blad; blad 8-12 cm lang en 0,4-0,6 cm breed; ovarium kaal → S. elaeagnos subspescies angustifolia (Grijze wilg; in de 19de-eeuwse mandenmakersterminologie ook vaak als ‘Rozemarijnbladige wilg’ aangeduid). Voornamelijk aangeplant, zelden verwilderd.

 

Bladvorm Grijze wilg (Salix elaeagnos subspecies angustifolia)

36a. Twijgen mét duidelijke lijstjes, meestal meer dan 2 mm lang → 37
36b. Twijgen zonder of hoogstens 1-2 mm lange lijstjes → 40

37a. De bladeren van de onvertakte, snel gegroeide eenjarige takken (langloten) zijn zeer lang (12-22 cm), met ongeveer evenwijdige randen, en 1,5-3-(3,6) cm breed. De bladeren van de overige takken (kortloten) zijn volledig afwijkend van vorm (veel korter, smal wigvormige voet en breed  bladmidden); uitsluitend vrouwelijke planten bekend in Vlaanderen; struiken tot 6 m hoog (iets hoger dan alle andere struikvormige wilgen); lijstjes op de ontschorste takken 2-7 mm lang → 38
37b. Bladeren 3-13 cm lang, 0,8-3,4 cm breed, bladonderzijde dicht tot weinig, aanliggend, maar niet zijdeachtig behaard; lijstjes op de twijgen 1-10-(16) mm lang, soms duidelijk en talrijk, soms zeer weinig → 39

38a. Bladeren van de langloten 13-20-(22) cm lang en 1,5-3,0-(3,6) cm breed; bladrand van de bladeren van snelgroeiende, eenjarige twijgen vlak en zwak getand (bladeren en (uitsluitend vrouwelijke) katjes  aan de toppen van de takken tamelijk ver uit elkaar (in vergelijking met de volgende variëteit!). Vrij algemeen verspreid en bijna steeds verwijzend naar voormalige mandenmakersactiviteiten → S. x dasyclados var. Angustifolia kloon ‘Gewone kletters’ (Duitse dot; in de mandemakersterminologie ‘Gewone kletters’)

Bladvorm van de langloten van Duitse dot
kloon ‘Gewone kletters’ (Salix x dasyclados varië-
teit angustifolia kloon ‘Gewone kletters’).
Vrouwelijk katje van Duitse dot kloon ‘Gewone kletters’ (Salix x dasyclados variëteit angustifolia kloon ‘Gewone kletters’)

38b. Bladeren van de langloten 12-15 cm lang en 1,5-3,2 cm breed; bladrand van de bladeren van snelgroeiende, eenjarige twijgen rimpelig gegolfd en duidelijk gekarteld-getand; bladeren en katjes aan de toppen van de takken vrij dicht opeen (in vergelijking met de vorige variëteit!). Minder frequent dan het vorige taxon, maar grotendeels zelfde verspreidingsgebied → S. x dasyclados var. Angustifolia kloon ‘Kattekletters’ (Duitse dot; in de mandenmakersterminologie: ‘Kattekletters’)

Bladvorm van de langloten van Duitse dot
kloon ‘Kattekletters’ (Salix x dasyclados variëteit
angustifolia kloon ‘Kattekletters’)

39a. Bladbreedte 1-2,5 cm, gemiddeld 1,6 cm breed. Bladlengte 4,7-12,5 cm, gemiddeld 8,8 cm lang. Blad spits wigvormig aan basis én top. Plant in de 19de eeuw vermeld als mandenmakerswilg. Vooral cultuurplant; zeldzamer spontane kruising; zeldzame plant → S. x holosericea (vrouwelijke Katwilg x mannelijke Grauwe wilg; de kenmerken van de vrouwelijke plant overwegen in de kruising!)
39b. Bladbreedte 1-3,4 cm, gemiddeld 1,9 cm breed. Bladlengte 3-8,8 cm, gemiddeld 6,9 cm. Blad breed wigvormig aan de voet, spits aan de top. Plant hier en daar voorkomend als spontane kruising, meestal in het gezelschap van beide ouders; iets algemener dan vorige kruising, maar toch nog steeds zeldzamer dan de kruising van Bos- en Katwilg → S. x holosericea (vrouwelijke Grauwe wilg x mannelijke Katwilg; de kenmerken van de vrouwelijke plant overwegen in de kruising!).

40a. Bladonderzijde zacht, donzig behaard; nervatuur bladonderzijde zeer opvallend (duidelijker dan bij S. x dasyclados waarmee de plant overigens wel kan verward worden; ; blad vaak met een witachtige schimmelaantasting die van op afstand reeds herkenbaar is; de schimmel is gemeenschappelijk met Boswilg en met Salix x holosericea; blad van het kortlot 5,5-9-(11) cm lang en 1,5-2,2 cm breed; blad van het langlot 13-16 cm lang en 3-3,5-(5,5) cm breed (aanzienlijk korter en breder dan dat van S. x dasyclados, waar verwarring mee kan optreden); geen lijsten op de twijgen aanwezig (in tegenstelling tot S. x holosericea waarmee de plant ook vaak verward wordt). Vaak spontaan voorkomend tussen beide ouders, soms ook geplant. Forse struik of kleine boom, zeldzaam ook als knotboom onderhouden  → S. x smithiana (Bos- x Katwilg)
40b. De bladonderzijde is niet zachtdonzig en de nervatuur is minder opvallend. Bladeren van het kortlot (3)-4-5-(7) cm lang, 0,5-1,5 cm breed, zijdeachtig aanliggend behaard; opgelet bladeren van langlot (vaak afgemaaide planten in duinpannen!) kunnen tot 8 cm lang zijn en tot 2,5 cm breed; op de ontschorste twijgjes kunnen hele korte, 1-2 mm lange lijstjes voorkomen; deze zijn afkomstig van de Kruipwilg-ouder; plant zeldzaam in de duinen voorkomend als spontane kruising tussen wilde Kruipwilg en gekweekte of verwilderde Katwilg → S. x friesiana (Kruipwilg x Katwilg)

41a. Grote struik of kleine boom met gladde, onbehaarde jonge bleekbruine of roodachtige twijgen die blinken alsof ze vernist zijn. Knoppen opvallend smal, puntig, roodachtigdonkerbruin en kleverig. Blad elliptisch-eirond met toegespitste top en wigvormige voet, met zeer fijne, regelmatige tanding over de ganse bladrand, 5-12 cm lang en 2-5 cm breed. Top van de bladsteel beklierd. Mannelijke bloem met 5-6 meeldraden. Zeer zeldzame wilg.  Meestal aangeplant, maar in archeologische context ook wild aangetroffen, mogelijk lokaal nog enkele autochtone planten of populaties → S. pentandra (Laurierwilg)
41b. Plant niet zo → 42

42a. Steunblaadjes opvallend en persistent; het hout van ontschorste twijgjes vertoont lijsten → 43
42b. Steunblaadjes vroegtijdig afvallend of ontbrekend, behalve aan zeer jonge snelgroeiende takken → 50

43a. Blad onderaan of soms aan beide zijden aanliggend zachtbehaard. Eerder zeldzame kruising, meestal in de nabijheid van beide ouders, vooral in zure, heide-achtige gebieden → S. x ambigua (Geoorde x Kruipwilg)
43b. Bladeren onderaan soms wat donzig behaard, maar niet aanliggend zachtbehaard → 44

44a. Bladeren van de kortloten omgekeerd eirond, niet meer dan 2 maal zo lang als breed. Bladeren van de kortloten meestal rimpelig, met gegolfde bladrand (opgelet: snelgroeiende bladeren van langloten van andere soorten kunnen ook vaak rimpelen!); knoppen en twijgen kaal tot hoogstens zwak behaard → 45
44b. Bladeren vlak of zwak rimpelig; bladrand niet of bij de meeste bladeren niet golvend; twijgen stevig en niet opvallend vertakt, bladeren meestal minstens 2 maal zo lang als breed; knoppen en twijgen zwak tot sterk behaard → 46

45a. Twijgen dun en opvallend vertakt; blaadjes van de kortloten omgekeerd eirond tot elliptisch en klein: 12-20-(35) mm lang, 7-25-(35) mm breed; (opgelet: bladeren van  langloten kunnen aanzienlijk langer en breder zijn: tot 6,5 cm lang en 35 mm breed!); onderzijde van het blad met het blote oog grijsachtig behaard ogend (opgelet: de bladeren van langloten ogen vaak veel kaler!); lijstjes op de ontschorste twijgen talrijk en kort: meestal 2-15-(20) mm lang. Plant van zure, venige of heide-achtige gebieden → S. aurita (Geoorde wilg)
45b. Blaadjes van de kortloten omgekeerd eirond, intermediair van vorm en grootte tussen Geoorde en Boswilg en vaak met alle schakeringen op dezelfde plant aanwezig: 1,5-7 cm lang, 8-45 mm breed; (opgelet: de blaadjes van het langlot kunnen nog aanzienlijk groter zijn: tot 8 cm lang en 5 cm breed); onderzijde van het blad met het blote oog blauwachtig, nauwelijks behaard ogend, bij wrijven echter toch zachtharig aanvoelend, met de loupe duidelijk als behaard waarneembaar; bladrand enigszins golvend en bladtop vaak gedraaid, maar beide kenmerken minder uitgesproken als bij Geoorde wilg; lijstjes op de ontschorste twijgen niet erg talrijk: meestal ongeveer 5-15 mm lang; zeldzame kruising die vaak om genetische verificatie vraagt→ S. x capreola (Geoorde x Boswilg).

Blaadjes van Geoorde x Boswilg (Salix x capreola)

46a. Top van het blad vaak gedraaid; bladeren van de kortloten 3,0-5,0 cm lang; lijstjes op de twijgen frequent en variabel in lengte: 5-35 mm lang → 47
46b. Top van het blad zelden gedraaid; bladeren van de kortloten 4,5-7,0 cm lang en 15-26 mm breed (opgelet: bladeren van langloten kunnen aanzienlijk groter zijn: tot 11,5 cm lang en tot 4 cm breed!); lijstjes op de twijgen talrijk en 2-35-(85) mm lang → 48

47a. Onderzijde van de bladeren witgrijs behaard. Zeer algemeen verspreide kruising, hoewel toch misschien toch vaak verward met Grauwe wilg → S. x multinervis (Geoorde x Grauwe wilg)
47b. Onderzijde van de bladeren met minstens een aantal rosse of roodbruine haren; lijstjes 2-38 mm. Zeldzame kruising, maar wellicht toch vaak over het hoofd gezien → S. x charrieri (Geoorde x Rossige wilg)

Bladonderzijde van Geoorde x Rossige wilg (Salix x charrieri)

48a. Volgroeide bladeren mat, grijzig-groen bovenaan, asgrijs onderaan; twijgen zacht behaard en grijsgroen; lijstjes 2-30-(85) mm. Wellicht onze algemeenste wilg → S. cinerea subspecies cinerea (Grauwe wilg)
48b. Volgroeide bladeren glanzend, donkergroen bovenaan, minstens met een aantal roestkleurige haren onderaan (niet verwarren, met vaak voorkomende oranjekleurige schimmels!); twijgen kalend in de loop van het seizoen en roodbruin → 49

Lijstjes bij Grauwe wilg (Salix cinerea subspecies
cinerea).

49a. Volgroeide bladeren glanzend donkergroen bovenaan, onderaan met overwegend roestbruine haren, twijgen kalend in de loop van het seizoen; lijstjes 2-30-(60) mm. Veel zeldzamer dan Grauwe wilg, maar wél wijd verspreid en op alle bodemtypen → S. cinerea subspecies oleifolia (Rossige wilg)
49b. Volgroeide bladeren bovenaan intermediair tussen mat grijzig-groen en glanzend donkergroen; twijgen intermediair behaard; verspreid enkele rosse haren tussen een meerderheid van  grijze haren op de onderzijde van het blad; lijstjes 4-47 mm. Frequenter aangetroffen dan zuivere Rossige wilg → S. x guinieri (Grauwe x Rossige wilg)

50a. Bladeren persistent behaard aan de onderzijde → 51
50b. Bladeren bij volgroeidheid nog slechts spaarzaam behaard tot bijna kaal, zelden helemaal kaal → 56

51a. Bladrand gegolfd, onregelmatig gezaagd; bladeren breed elliptisch tot cirkelrond, groen bovenaan, dicht behaard onderaan met uitgesproken nervatuur → S. caprea (Boswilg)
51b. Bladrand vlak of met omgekrulde zoom, gaafrandig of bijna gaafrandig; bladeren eerst zilverachtig, zijdeachtig behaard op beide zijden, de onderzijde behaard blijvend ook bij volgroeidheid → 52

52a. Bladeren groot, 3-7 cm lang, 1,5-4,5 cm breed; robuuste struik of kleine boom. Verspreiding nader te onderzoeken → S. caprea var. Sphacelata (Boswilg-variëteit)
52b. Bladeren klein, minder dan 5 cm lang, 2,5 cm breed, kleine, tengere struik → 53

53a. Bladeren 1-3,5 cm lang, 0,4-2,5 cm breed, mat groen bovenaan, zilverachtig behaard onderaan; zeer kleine lijstjes (1-2 mm) op ontschorst stukje tak → S. repens (Kruipwilg) → 54
53b. Bladeren 2,4-5 cm lang, 0,8-2,3 cm breed, glanzend groen bovenaan, spaarzaam behaard onderaan; lijstjes op ontschorst twijgje 2-5 mm lang. Zeldzame kruising, vooral in de duinen aangetroffen, zeldzamer ook in heidegebieden → S. x subsericea (Grauwe x Kruipwilg)

54a. Bladschijf 4-10 maal zo lang als breed, met de grootste breedte ongeveer in het midden; bladrand in droge toestand nagenoeg vlak. Steunblaadjes weinig ontwikkeld of vrijwel ontbrekend. Vruchtbeginsel en vrucht steeds behaard; taxon door de Flora van België (Lambinon et al. 1998) van de Kempen en het Vlaams district vermeld, maar  nog niet aangetroffen; te zoeken → Salix repens susbsp. angustifolia (Kruipwilg-ondersoort)
54b. Bladschijf 1,3-4 maal zo lang als breed, met de grootste breedte boven het midden; bladrand in droge toestand meestal iets omgerold. Steunblaadjes klein, maar meestal goed ontwikkeld. Vruchtbeginsel en vrucht behaard of kaal → 55

55a. Bladschijf 1,3-2,5 maal zo lang als breed, aan de bovenzijde iets behaard blijvend. Eenjarige twijgen dicht grijsviltig; intermediaire kenmerken met volgend taxon kunnen voorkomen; de status van dit taxon moet wellicht eerder als het uiterste van een continue reeks gezien worden dan als een duidelijk aparte ondersoort. Algemeen verspreid in de duinen → Salix repens subsp. Dunensis (Kruipwilg-ondersoort)
55b. Bladschijf 2-4 maal zo lang als breed, aan de bovenzijde spoedig kaal wordend; eenjarige twijgen schaars behaard tot vrijwel kaal; intermediaire kenmerken met vorig taxon kunnen voorkomen; de status van dit taxon moet wellicht eerder als het uiterste van een continue reeks gezien worden dan als een duidelijk aparte ondersoort. De meest algemene ondersoort in het binnenland → Salix repens subsp. Repens (Kruipwilg-ondersoort)

56a. Onderzijde van volgroeide bladeren met minstens enkele roodbruine tot roestbruine haren (niet verwarren met vaak voorkomende oranjekleurige schimmels!) → 57
56b. Onderzijde van volgroeide bladeren zonder roodbruine of roestbruine haren → 58

57a. Volgroeide bladeren glanzend donkergroen bovenaan, minstens nervatuur onderaan met overwegend roestbruine haren, twijgen kalend in de loop van het seizoen. Aanzienlijk zeldzamer dan Grauwe wilg, maar wel wijd verspreid en op alle bodemtypes voorkomend → S. cinerea subspecies oleifolia (Rossige wilg)
57b. Volgroeide bladeren bovenaan intermediair tussen mat grijzig-groen en glanzend donkergroen; twijgen intermediair behaard; verspreid enkele rosse haren tussen een meerderheid van grijze haren op de onderzijde van het blad; lijstjes 4-47 mm. Algemener dan zuiver Rossige wilg → S. x guinieri (Grauwe x Rossige wilg)

58a. Bladeren onderaan behaard; bladrand gegolfd; nervatuur van de bladonderzijde uitgesproken. Algemeen voorkomende kruising, maar door de continue reeks tussen beide ouders zeer vaak niet herkend of genegeerd → S. x reichardtii (Grauwe x Boswilg)
58b. Volgroeide bladeren kaal aan beide zijden; nervatuur van de bladonderzijde niet zeer opvallend → S. purpurea (Bittere wilg) → 31

59a. Steunblaadjes opvallend en persistent; bladeren langwerpig-ovaal, niet wollig of spinnenwebachtig behaard bovenaan, aanvankelijk aangedrukt behaard onderaan; bladrand gewoonlijk gegolfd-getand; lijstjes aanwezig op de ontschorste takjes; katjes klein en onopvallend, zilverachtig behaard → 60
59b. Steunblaadjes klein, afvallend of ontbrekend; katjes lateraal, zittend, net iets vóór de blaadjes ontluikend; bladnervatuur slecht waarneembaar; lijstjes zeer klein (1-2 mm) → 61

60a. Bladeren van de kortloten omgekeerd eirond tot elliptisch: 0,8-3 cm lang; lijstjes 2 tot 15 mm lang. Zeldzame wilgenkruising, vooral te vinden in zure, heide-achtige terreinen waar beide ouders voorkomen → S. x ambigua (Geoorde x Kruipwilg)
60b. Bladeren van de kortloten omgekeerd eirond tot elliptisch: 3,0-4,5 cm lang; lijstjes 2 tot 26 mm lang. Zeer zeldzame kruising, vooral te vinden in zure, heideachtige terreinen, waar ook de ouders voorkomen → S. x straebleri (= S. aurita x S. cinerea subsp. Cinerea x S. repens subsp. repens) (Geoorde x Grauwe x Kruipwilg)

61a. Bladschijf 4-10 maal zo lang als breed, met de grootste breedte ongeveer in het midden; bladrand in droge toestand nagenoeg vlak. Steunblaadjes weinig ontwikkeld of vrijwel ontbrekend. Vruchtbeginsel en vrucht steeds behaard; taxon door de Flora van België (Lambinon et al. 1998) van de Kempen en het Vlaams district vermeld, maar nog niet aangetroffen; te zoeken → Salix repens susbsp. angustifolia (Kruipwilg-ondersoort)
61b. Bladschijf 1,3-4 maal zo lang als breed, met de grootste breedte boven het midden; bladrand in droge toestand meestal iets omgerold. Steunblaadjes klein, maar meestal goed ontwikkeld. Vruchtbeginsel en vrucht behaard of kaal → 62

62a. Bladschijf 1,3-2,5 maal zo lang als breed, aan de bovenzijde iets behaard blijvend. Eenjarige twijgen dicht grijsviltig; intermediaire kenmerken met volgend taxon kunnen voorkomen; de status  van dit taxon moet wellicht eerder als het uiterste van een continue reeks gezien worden dan als een duidelijk aparte ondersoort. Algemeen voorkomend in de duinen → Salix repens subsp. dunensis (Kruipwilg-ondersoort)
62b. Bladschijf 2-4 maal zo lang als breed, aan de bovenzijde spoedig kaal wordend; eenjarige twijgen schaars behaard tot vrijwel kaal; intermediaire kenmerken met vorig taxon kunnen voorkomen; de status van dit taxon moet wellicht eerder als het uiterste van een continue reeks gezien worden dan als een duidelijk aparte ondersoort. De meest algemene ondersoort in het binnenland → Salix repens subsp. repens (Kruipwilg-ondersoort)

 

Verklarende woordenlijst

Berijpt. Bij sommige wilgen zit een laagje was op het blad of op de takken. Vaak geeft dit aanleiding aan een witachtige of blauwachtige schijn. Bij bladeren zit de waslaag meestal op de onderkant van de bladeren (Kraakwilg, Amandelwilg, …). Bij het voorkomen van een waslaag op de takken is dit meestal gesitueerd aan de top van jonge takken (Berijpte wilg, Kaspiche zandwilg).

Bifurcaat. Vertakkend in twee (min of meer gelijke) delen. Gevorkt. In de sleutel gebruikt voor de vertakte katjes van Salix fragilis subspecies furcata.

Forma. Een vorm van variatie bij planten op lagere rang dan soort of ondersoort. Meestal gebruikt voor variaties die slechts betrekking hebben op één enkel kenmerk. Salix x rubens variëteit Basfordiana forma sanguinea verschilt bijvoorbeeld in de rode twijgtoppen ten opzichte van Salix x rubens variëteit Basfordiana forma Basfordiana die gele twijgtoppen heeft.

Hybride. Synoniem voor kruising. Wordt in de naamgeving aangegeven door een maalteken in de

wetenschappelijke benaming: Salix x rubens, Salix x rubra, …

Intermediair. In de sleutel vooral gebruikt bij de beschrijving van kruisingen die kenmerken hebben die tussen deze van de ouders in liggen. Dat ‘intermediair’ is in de meeste gevallen niet netjes het midden tussen de kenmerken van de ouders. Bij wilgen geeft de vrouwelijke ouderplant in heel veel gevallen meer kenmerken door dan de mannelijke, waardoor een kruising meer neigt naar de vrouwelijke ouder dan naar de mannelijke. Op die manier kan bijvoorbeeld een vrouwelijke Grauwe wilg gekruist met een mannelijke Katwilg er anders uit zien dan een vrouwelijke Katwilg gekruist met een mannelijke Grauwe wilg.

Kloon. In het algemeen betekent een kloon een min of meer identiek duplicaat van iets. In de biologie spreekt men van klonen voor genetisch identieke exemplaren. Ook het werkwoord voor dit proces heet klonen. Specifiek bij wilgen gaat het om vegetatief vermeerderde stekken van één ouderplant. Zowel in de selectie van vlechtwilgen als bij sierwilgen is het klonen een heel gebruikelijke praktijk, om een bepaald kenmerk te bewaren. Ook bij knotwilgen op de rand van weidepercelen komt het fenomeen heel vaak voor, zij het dan meestal niet om een bepaald kenmerk te bevorderen, maar simpelweg omdat het klonen een eenvoudige methode is om van één ouderplant de zogenaamde ‘poten’ (takken die van de knot afgehaald zijn) te herplanten.

Kloongroep. Een reeks cultuurvariëteiten van wilgen lijken zo goed op elkaar dat ze op het uitzicht alleen moeilijk individueel kunnen onderscheiden worden. Toch kunnen ze op basis van bepaalde kenmerken onderscheiden worden van andere groepen. Vooral bij Amandelwilg zijn een aantal duidelijke groepen te onderscheiden, op basis van de twijgkleur van eenjarige twijgen (donker chocoladebruin, koffie-met-melk-bruin of geelgroen). Die groepen worden in de sleutel aangeduid als kloongroepen.

Kortlot. In het algemeen een tak met dicht op elkaar zittende knopen. In de wilgensleutel vooral gebruikt bij aanduiding van ‘gewone’ takken met ‘gewone’ bladeren, ter onderscheid met ‘langloten’ die hieronder beschreven worden en een aantal afwijkende kenmerken vertonen.

Langlot. Eenjarige scheut met afwijkende kenmerken ten opzichte van de normale takken. Meestal is een langlot snel gegroeid, weinig vertakt en vaak anders gekleurd dan de overige takken. Ook de bladeren op een langlot wijken vaak af van de gewone bladeren. Langloten worden bevorderd door knotten, of bij het jaarlijks oogsten van twijgen in de griendteelt.

Lijst. Zie ‘opmerkingen vooraf’ bij de sleutel.

 

Bron:  Sleutel voor de in het wild en verwilderd voorkomende wilgen in Vlaanderen, West-Vlaamse intercommunale Dienstverlening – Arnout Zwaenepoel