Watervarens

onderscheiden we in twee types:
1. de plant drijft in zijn geheel op water (Grote kroosvaren, Kleine kroosvaren, Kleine vlotvaren en Grote vlotvaren)
2. of de plant wortelt op de bodem (Pilvaren en Biesvaren).

Plant drijft in zijn geheel op water

Grote kroosvaren

De bladeren drijven en komen vaak kroezig boven het water uit. De bovenste bladlob is 1 tot 2 mm. De bladen hebben een stompe top en een brede vliezige rand. Eerst zijn ze blauwachtig groen, in de herfst worden ze roodachtig.

Kleine kroosvaren

De blaadjes liggen plat op het water. Ze zijn lichtgroen, maar worden later bruinrood. De bovenste bladlob is hoogstens 1 mm lang, vrij spits en zonder of met een zeer smalle vliezige rand.

Kleine vlotvaren

De dunne stengels zijn dicht behaard, weinig vertakt en 2 tot 8 cm lang. De variabele, drijvende, 1½ bij ½ cm grote, lichtgroene bladen hebben een zeer kort steeltje. Ze zijn langwerpig met een ronde top en een iets hartvormige voet of rond tot elliptisch. Aan de bovenkant groeien wratachtige knobbels met korte haarbundeltjes, aan de onderkant zijn ze dicht behaard. Het onderwaterblad is sterk verdeeld in haarvormige slippen verdeeld en lijkt op wortels.

kleine vlotvaren met sporocarpen

Grote vlotvaren (Salvinia molesta)

komt soms verwilderd voor in Nederland. De grote vlotvaren wordt bijna overal waar hij opduikt als een invasieve, agressieve soort beschouwd.

grote vlotvaren detail van blad

Plant wortelt op de bodem

Pilvaren

De kruipende stengels zijn glanzend lichtgroen en gegaffeld. De stengels vormen vaak matten. De stevige, rechtopstaande bladeren zijn draadvormig en worden tot 9 cm, bij ondergedoken planten soms langer. Meestal staan ze dicht bijeen en vaak zijn ze iets heen en weer gebogen en met een fijne punt. Jonge bladeren zijn opgerold aan de top van de stengels.

Biesvaren (grote)

De plant groeit onder water. De lobben van het stammetje vertonen na vervelling enkele hoogtegroeven. De planten kunnen grote aaneengesloten vegetaties vormen. Een rozet van tien tot veertig bladen, die meestal recht omhoogstaan. Ze zijn vrij stijf, doorschijnend donkergroen en worden tot 20 cm lang en 2½ mm breed. Verder zijn ze stomp vierhoekig en is de top vrij plotseling toegespitst. De bladen zijn breder en stijver dan die van Kleine biesvaren. Ze hebben een verbrede voet, bleke vliezige randen, vier luchtkanalen en ze blijven in dezelfde stand als de plant uit het water wordt gehaald.

Kleine Biesvaren

De stengels groeien onder water. De bladeren groeien in een rozet. Ze worden tot 25 cm lang en tot 1½ mm breed. Ze zijn doorschijnend lichtgroen en onderaan wit. Verdedr zijn ze afgerond driehoekig, vaak gekromd, buigzaam, vrij slap en lopen in een fijne punt uit. Vaak kleven ze aaneen als de plant uit het water wordt getild. Bladen met  vier  grote luchtkanalen.

 

Klaverbladvaren Marsilea quadrifolia   

is een varen uit de pilvarenfamilie (Marsileaceae). Het is een kleine water- of moerasplant die vooral in tijdelijke poelen te vinden is. De varen wordt sporadisch in Nederland waargenomen. De klaverbladvaren is een kleine aquatische varen met kruipende rizomen, die wortelt op de knopen en op de internodia ( min of meer verdikte plaats aan de stengel van een plant, met name daar waar de bladeren aan de stengel zitten).

De dunne bladsteel is onbehaard, tot 17 cm lang en draagt een viertallig samengesteld blaadje, tot 2 cm lang en ongeveer even breed en eveneens onbehaard. In tegenstelling tot klaverblaadjes, heeft de klaverbladvaren twee tegenoverstaande bladparen. De blaadjes plooien zich bij nacht samen. De bladnerven zijn dichotoom ( twee gelijkwaardige bladnerven) vertakt maar dikwijls aan de tip met elkaar verbonden.

De onderwaterbladen, drijvende bladen en landbladen lijken sterk op elkaar, doch enkel de laatste vormen sporen. De sporenhoopjes zitten in ronde of boonvormige, tot 5 mm lange sporocarpen, met twee tot vier bij elkaar op korte, vertakte, rechtopstaande stelen die ontspringen aan de basis van de bladstelen.