Water-, en oeverplanten

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

Waterplanten drijvend 

Aarvederkruid

Aarvederkruid

Rechtopstaande aren (5-15 cm) met meestal meer dan twintig bloemen. Alle bloemen staan in kransen. De bloemen zijn ongeveer 3 mm in doorsnee.  De onderste een tot drie kransen hebben geveerde schutbladen, die soms even groot zijn als de gewone bladeren de hogere kransen hebben zeer korte, ongedeelde schutblaadjes. De kroonbladen van de tweeslachtige en de mannelijke bloemen zijn steenrood en vallen bij het begin van de bloei af. De ondergedoken bladen staan meestal in vrij ver uiteenstaande kransen van vier (soms vijf of zes) en de bebladering.  Elk blad heeft gewoonlijk zeven tot elf dicht opeenstaande paren van ongeveer tegenoverstaande, vrij slappe bladslippen. Water (kleisloten, kanalen, poelen, afgravingen, laagveenplassen, spoorsloten en duinplassen).

Brede zannichellia

brede-zannichellia

De bloeiwijze is schijnbaar okselstandig, bijna zittend en bevat één tot drie bloemen. De bloemen zijn klein, groenachtig en zonder kroon. Mannelijke bloemen met één of twee meeldraden en vrouwelijke bloemen met twee tot vier stampers. De drijvende, draadvormige stengels zijn sterk vertakt.  De verspreid of bijna tegenover elkaar staande bladen zijn draadvormig, spits en hebben een gave rand en zijn hoogstens 1-2 mm breed. De bladschede (tongetje) is vliezig, stengelomvattend en eerst buisvormig. Te vinden in zonnig, matig tot zeer voedselrijk, niet te diep, kalkhoudend en brak water boven een zand- of kleibodem. Ze groeit in de minder diepe delen van uitgestrekte brakke wateren (zee-inhammen) met een sterke watercirculatie en vermenging van zee- en zoet rivierwater.

Doorgroeid fonteinkruid

Doorgroeid-fonteinkruid

vrij algemeen in meren, kanalen, rivieren en tochtsloten. De witachtige, rechtopstaande of bovenaan horizontaal even onder het wateroppervlak zwevende stengels zijn meestal vertakt en kunnen tot enkele meters lang worden. De ondergedoken bladeren zijn 3-7 cm lang. Ze zijn rond tot langwerpig-eirond, hebben een vlakke top en een hartvormige voet die de stengel omvat. De bladrand is zwak gekroesd en heel fijn getand. De kleine steunblaadjes zijn vliezig en verdwijnen snel. Vrij algemeen in meren, kanalen, rivieren en tochtsloten. De plant groeit in matig voedselarm tot voedselrijk, meestal helder water op (venig) zand en rivierklei.

Draadalg

 Er bestaan enorm veel soorten algen en slechts enkelen kunnen deze goed determineren. Aquarianen en vijverbezitters  gebruiken simpele determinatie op basis van kleur en structuur. Ze komen zo tot groenalgen, draadalgen, zweefalgen, blauwalgen en bruinalgen. Algen vervullen een gezonde rol in de natuur : op grond van hun ongecompliceerde bouw en hun supersnelle groei, zijn ze in staat om overbemest water te reinigen. Ook bij algen is voorkomen beter dan genezen. Men mag het niet laten komen tot een overbelasting van het water en zo een voedingsbodem voor algen creëren.

Gekroesd fonteinkruid

  gekroesd-fonteinkruid

De groenige bloemen groeien in vrij losse, korte aren met weinig bloemen.  De stengels zijn naar boven toe vertakt en bovenaan zigzagsgewijs geknikt en afgeplat, met twee  groeven. De aren hebben vrij lange stelen, die na de bloei omlaag krommen. De ondergedoken bladeren zijn glanzend heldergroen of rossig, smal langwerpig, gegolfd, gekroesd, gezaagd en doorschijnend. Ze hebben een halfstengelomvattende voet, een afgeronde top en worden 0,5-1,5 cm breed en tot 10 cm lang. Ze groeit in allerlei wateren en watertypen op zonnige plaatsen in niet te ondiep, stilstaand tot zwak stromend, helder, matig stikstofrijk en ± voedselrijk, soms iets vervuild, zoet tot zwak brak water boven een bodem van zand, zavel en klei maar altijd met weinig organische stof.

Gesteelde zannichellia

 Gesteelde-zannichellia

De bloeiwijze is schijnbaar okselstandig, bijna zittend en met één  tot drie  bloemen. De bloemen zijn klein, groenachtig en zonder kroon. De drijvende, draadvormige stengels zijn sterk vertakt. De verspreid of bijna tegenover elkaar staande bladen zijn draadvormig, spits en hebben een gave rand. Ze zijn hoogstens 2 mm breed. De bladschede (tongetje) is vliezig, stengelomvattend en eerst buisvormig. Staat in zonnig, stilstaand of zwak stromend, voedsel- en basenrijk, ondiep, zoet of brak water boven zand- of kleibodems met vaak veel organisch materiaal.

Glanzig fonteinkruid

  glanzig-fonteinkruid

De bloeiwijzestengels worden tot 30 cm lang en zijn naar de top knotsvormig verdikt. Bovenaan zijn ze bijna net zo breed als de aar. De aren worden tot 6 cm lang. De ondergedoken bladen zijn 10-25 cm lang en 1-5 cm breed. Ze zijn doorschijnend, langwerpig, aan de voet wigvormig met een korte steel, aan de rand dicht gekroesd en zeer fijn getand. Bovenaan zijn ze toegespitst, afgerond of met een inkeping. Ze hebben negen  tot vijftien  nerven. De grote steunblaadjes zijn kruidachtig, maar smaller dan de gewone bladen. Vrij algemeen in de (matig) voedselrijke en zoete wateren van het grote rivieren gebied, laagveengebied en in beekdalen. De plant wordt behalve in grote open plassen, kanalen en oude rivieren ook in kleine slootjes gevonden.

Grof hoornblad

Grof-hoornblad

 

De alleenstaande bloemen vind je in de bladoksels. De vrouwelijke bloemen zijn groen, de mannelijke wit. Er zijn zes  tot twaalf  groene bloembladen. De ondergedoken bladen zijn meestal stijf, glanzend donkergroen tot zwartgroen, zijn één  tot twee keer gaffelvormig vertakt met twee  tot vier  lijnvormige, dicht stekelig getande of soms vrij tere slippen. Ze vormen drie  tot acht  kransen. Zweeft in zonnig tot licht beschaduwd, ondiep tot vrij diep, stilstaand of zwak stromend, zoet of zwak brak, voedselrijk en hard water boven een modderbodem.

Kikkerbeet

Kikkerbeet

De bloemen steken boven het water uit. Ze zijn vrij lang gesteeld en 2-3 cm. De witte bloemdekbladen hebben een gele nagel. De vrouwelijke bloemen staan afzonderlijk in de oksels van een zittend schutblad die de bloem voor de bloei als een schede omhult. Per bloeiwijze is één  bloem open, zelden twee. Ze hebben vier kransen van drie  gele meeldraden en in het midden een niet goed ontwikkeld vruchtbeginsel. Er zijn twee  soorten stengels, namelijk korte, bebladerde, worteldragende stengels en langere in het water zwevende stengels die in een bladoksel groeien en uitlopers vormen. De drijvende bladeren zijn vlezig, vrijwel rond en hebben een diep hartvormige voet. Naast de rechter middennerf zie je vier  boogvormige zijdelingse nerven. Twee  vrije steunblaadjes langs de lange bladsteel.  Staat in zonnige, stilstaande tot zwak stromende, ondiepe, ± voedsel- en stikstofrijke, zwak zure tot basische, zoete tot zwak brakke wateren boven diverse bodemtypen met meestal een laag met zuurstofarme organische stof.

Klein fonteinkruid

klein-fonteinkruid

De aren zijn vaak hoofdjesachtig. De bloeiaar is kort en staat op een lange steel. De bloemen zijn groenig. De dunne, ronde stengels zijn sterk vertakt. Op de knopen zitten knobbels. De bladeren zien eruit als de bladeren van gras en worden tot 2 mm breed. Ze hebben 3 nerven. De middennerf is weinig of niet dikker dan de rest van het blad. Aan de basis zitten luchtholten, die door dwarswanden in tenminste 2 rijen kamertjes worden verdeeld. De bladtop is meestal toegespitst. De steunblaadjes zijn klein en niet vergroeid. Staat op zonnige plaatsen in ondiep, stilstaand of zwak stromend, matig voedsel- en stikstofrijk, zoet, zwak zuur tot licht-basisch (kalkhoudend) water boven een bodem van laagveen of zand.

Krabbenscheer

krabbenscheer

De bloeiwijzen zitten in de oksels van één of enkele bladeren in het midden van de rozet en zijn meestal korter dan de bladeren. De kroonbladen zijn wit. Bij de vrouwelijke planten ontspringt in de bloeischede één vrijwel zittende bloem met een trechtervormige kroon van ongeveer 4 cm. Het vruchtbeginsel is naar de top vernauwd, zodat de rest van de bloem op een steeltje lijkt te staan. De bloemen hebben zes korte stijlen, die elk twee lange stempels hebben. Bij de mannelijke planten ontspringen in de bloeischede drie tot zes gesteelde bloemen, waarvan maar één tegelijk bloeit. Deze hebben een schaalvormig uitgespreide bloemkroon en ongeveer twaalf meeldraden. De wintergroene stengels leven afwisselend onder en half boven water. De stengels bestaat uit een zeer kort stammetje met een rozet van talrijke bladeren. Er worden uitlopers gevormd vanuit de oksels van sommige bladeren. De bladeren vormen samen een rozet. Het rozet bestaat uit vele lijnvormige tot langwerpige, enigszins gootvormig gekromde, spitse, getande bladeren, die tot een paar dm lang worden. Op elke bladtand zit een naar voren gerichte stekel. De onder-waterbladeren zijn donkergroen tot wijnrood. De boven-waterbladeren zijn grasgroen. Zonnige, luwe plaatsen in ondiep, stilstaand of langzaam stromend, matig voedselrijk tot voedselrijk, zoet tot soms zwak brak, zwak zuur tot zwak kalkhoudend water met een bodem van laagveen, rivierklei of zand.

Langstengelig fonteinkruid

Langstengelig -fonteinkruid

 De aarstengel is vrij slank, niet of nauwelijks knotsvormig en wordt tot meer dan 20 cm lang. Langstengelig fonteinkruid leeft verborgen: de bovenste bladeren blijven vaak op enige afstand van de waterspiegel. Kenmerkend  zijn de vertakte zigzagsgewijs heen en weer gebogen stengel, de lange vruchtstelen en de half stengelomvattende bladeren met een kapvormige bladtop. Heeft een voorkeur voor voedselrijk diep water, al staat ze plaatselijk ook wel in ondieper water (minder dan 1 meter diep). Verondersteld wordt dat ze vooral voorkomt op plekken waar koel, bicarbonaatrijk kwelwater toestroomt. De soort is vanouds zeer zeldzaam, met concentraties van vindplaatsen in grensgebieden van zand en veen.

Ongelijkbladig fonteinkruid

Ongelijkbladig-fonteinkruid

De aarsteel heeft een slanke voet en een knotsvormige top, die bijna even breed is als de aar zelf. In dieper water zijn de aarstelen soms erg dun en naar boven toe nauwelijks verdikt. De bloemen zijn groenig. De dunne stengels zijn meestal niet dikker dan 1 mm. Ze zijn vaak sterk vertakt en gewoonlijk minder dan ½ meter, maar soms tot 1 meter lang.  De bladeren zijn breed. De ondergedoken bladeren zijn naar de voet en de top geleidelijk versmald. Ze hebben geen steel en zijn langwerpig tot lijnvormig met de grootste breedte in het midden. Ze hebben 3 tot 7 nerven en een spitse top. De drijvende bladeren zitten vaak vrij dicht bijeen. Ze zijn rondachtig-eirond tot langwerpig, vrij lang gesteeld en dun leerachtig. Ze hebben een afgeronde of zwak wigvormige voet en een stompe of kort toegespitste top. Zonnige plaatsen in ondiep, matig voedselarm tot matig voedselrijk, stilstaand, zwak zuur water met een bodem van humeus zand of leem.

Paarbladig fonteinkruid

Paarbladig-fonteinkruid

De groenachtige, zeer kleine bloemen zitten in kluwens met 1 krans van hoogstens 4 bloemen. De steel is een ½ tot 1½ cm lang en is na de bloei teruggebogen. Het schutblad van de bloeiwijze heeft 2 oorvormige aanhangsels aan de zijkanten. De ondergedoken bladeren staan tegenover elkaar of staan soms met 3 bijeen. Vaak staan ze dicht opeen. Ze worden tot 3 cm lang en zijn eirond tot langwerpig. Naar de top zijn ze zeer fijn gezaagd. Ze hebben 3 tot 5 of soms 7 nerven, zijn niet gesteeld, omvatten de stengels voor de helft, hebben een vrij spitse top en vaak een iets golvende rand. Prefereert zonnig tot zelden iets beschaduwd, stilstaand tot sterk stromend, helder en ondiep, meestal koel en fosfaatarm, ± voedselrijk, basisch tot meestal kalkrijk water boven een fosfaatrijke bodem van zand, rivierkleibodem of veen met sterke kwel.

Plat fonteinkruid

De bloeiaren bevatten 10 tot 20 bloemen en staan op 2 tot 4 cm lange en ongeveer 2 mm dikke stelen. De aren zijn langer gesteeld. De aarsteel is naar de top meestal enigszins verdikt. De bloemen zijn groenig. De afgeplatte stengels zijn scherpkantig, vaak smal gevleugeld en maar weinig vertakt. De ondergedoken, bruinachtig groene, op gras lijkende bladeren zijn lijnvormig en 2 tot 5 mm breed. Ze hebben 5 sterkere nerven. De bladtop is min of meer afgerond met een toegespitst puntje. De steunblaadjes zijn niet vergroeid en overlappen elkaar. Ze zijn 2½ tot 4 cm lang. Prefereert zonnige plaatsen in ondiep, stilstaand, ± stikstof- en voedsel voedselrijk maar niet te vervuild, zwak zuur tot neutraal water boven een bodem van laagveen, venige rivierklei of zand, vaak op plaatsen met enige kwel of opstijgend grondwater.

Puntig fonteinkruid

puntig-fonteinkruid

De aren zijn losbloemig en bevatten meestal 3 of 4, heel soms tot 10, groenige bloemen. De aarsteel wordt 2 tot 6 cm lang en is bovenaan verdikt. De stengels zijn afgerond-afgeplat en voornamelijk bovenaan vertakt met talrijke korte zijtakjes. De op gras lijkende bladeren zijn ondergedoken. Ze zijn lijnvormig, doorschijnend, 2 tot 3½ mm breed, lichtgroen en hebben meestal 5 nerven. De bladtop is stomp of toegespitst. De steunblaadjes bij de voet zijn met vergroeide randen stengelomvattend. Staat op zonnige plaatsen in ondiep, stilstaand of zwak stromend, zoet of zwak brak, kalkrijk en matig stikstofrijk water boven een modderige, licht tot matig organische bodem van zeeklei, veen, rivierklei of zand. Soms ook in dieper en groter water.

Schedefonteinkruid

Schedefonteinkruid

De onderbroken aren hebben een lange steel, zijn 2 tot 5 cm lang en zitten aan het eind van de stengels. Ze drijven in het water. De bloemen zijn groenig. De draadvormige stengels zijn rijk gaffelvormig vertakt en worden soms enige meters lang. De ondergedoken bladeren zijn grasachtig, rolrond-draadvormig of zeer smal lijnvormig en een ½ tot 2½ mm breed. De bladrand is gaaf, niet getand. De bladeren hebben een 1 tot 6 cm lange bladschede aan de voet. De bladtop is spits, maar soms ook stomp. De steunblaadjes zijn schedevormig, niet vergroeid en hebben een witte rand. De onderste is verwijd en heeft een gereduceerde bladschijf. Groeit in open, ondiep, al dan niet vervuild, brak of zoet, stikstofrijk, matig voedselrijk tot voedselrijk, stilstaand tot matig stromend, kalkhoudend water boven een modderige, minerale bodem, weinig boven veen en kan in allerlei wateren en watertypen aangetroffen worden.

Smalle waterpest

smalle-waterpest

De vrouwelijke bloemen zijn wit en 2 tot 3½ mm groot. Mannelijke planten komen bij ons niet voor. De lichtgroene stengels zijn tengerder dan die van Brede waterpest. Ze groeien zowel in verticale als in horizontale richting. Ze overwinteren met op de bodem kruipende bebladerde stengels. Vaak vormen ze massavegetaties. De bladeren zitten in kransen van 3 of4. De onderste staan tegenover elkaar. Een deel van de bladeren is achterovergekromd. Ze zijn maximaal 2 mm breed en 2½ cm lang. Verder zijn ze spits. De zijranden zijn vaak iets naar beneden gebogen. Aan elke kant zitten 27 tot 29 zeer kleine, moeilijk zichtbare tandjes. Als de bladeren uit het water worden gehaald vallen ze samen als een penseel. De soort heeft zich in de tweede helft van de 20e eeuw over vrijwel het gehele land verspreid en is nu zeer algemeen in allerlei voedselrijke, zoete tot zwak brakke, ondiepe wateren. Ook in enigszins vervuild water, zoals dat wat ingelaten wordt uit de grote rivieren.

Spits fonteinkruid

spits-fonteinkruid

De aar bevat 4 tot 6 bloemen en staat op een tot 1½ cm lange en tot 1 mm dikke steel. De stengels zijn afgeplat, tamelijk scherpkantig, niet gevleugeld en vaak vrij sterk vertakt. De bladeren zijn grasachtig. Ze hebben 3 nerven, zijn 2 tot 4 mm breed en geleidelijk toegespitst. Staat op zonnige plaatsen in ondiep, stilstaand tot zwak stromend, ± voedselrijk, zoet en neutraal tot vaak kalkhoudend, ± stikstofrijk, niet verontreinigd water boven een modderige en organische zand- en kleibodems, maar niet boven leem.

Watergentiaan

watergentiaan

De bloemen steken boven het water uit. Ze zitten in schermvormige bundels in de bladoksels. Ze zijn geel en 3 tot 5 cm groot. De kroonbladen hebben een donkerder middenstreep en zijn gewimperd. De kelkslippen zijn langwerpig. De lange, groene stengels zijn wat vlezig. Ze kruipen over of vlak onder het bodemoppervlak en wortelen op de knopen. De drijvende bladeren zijn zeer lang gesteeld en vrij rond. Ze zijn maar zelden meer dan 10 cm groot en hebben een diep hartvormige insnijding met daarin de steel. Aan de bovenkant zijn ze wat blauwig en van onderen vaak dieppaars. De rand is vaak zwak geplooid. Groeit in neutraal tot basisch zoet water op rivierklei, zowel op droogvallende plaatsen als enkele meters diep.

Waterviolier

Waterviolier

De trompetvormige bloemen steken boven het water uit en zitten in trosvormig bijeengeplaatste kransen in de oksels van kleine schutbladen. Ze zijn bleeklila of wit. De keel is geel. Het bovenste deel van de bloeistengel, de bloemstelen en de kelken zijn klierachtig behaard. De lichtgroene stengels zijn verspreid behaard en vooral bovenaan vertakt. De bloeistengel is niet bebladerd. De ondergedoken bladeren zijn tot op de middennerf kamvormig veerdelig en vormen een rozet. Vooral op plaatsen met een wisselende waterstand en met kwelwater. Zoutmijdend (laagveen, zand en lichte rivierklei). Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen in ondiep, meestal stilstaand, soms zwak stromend, matig voedselrijk, neutraal water.

 Zittende zannichellia

Zittende-zannichellia

De bloeiwijze is schijnbaar okselstandig, bijna zittend en bevat 1 tot 3 bloemen. De bloemen zijn klein, groenachtig en zonder kroon. De drijvende, draadvormige stengels zijn sterk vertakt.  De verspreid of bijna tegenover elkaar staande bladen zijn draadvormig, spits en hebben een gave rand. Ze zijn hoogstens 2 mm breed. De bladschede (tongetje) is vliezig, stengelomvattend en eerst buisvormig. Is te vinden in zonnig tot beschaduwd, stilstaand, niet te diep, langzaam tot snel stromend, basen- en kalkrijk, voedselarm tot matig voedselrijk, zoet, soms zwak brak water boven een kalkrijke zand- of kleibodem.