Varens met twee typen bladeren

De plant heeft zowel groene, niet vruchtbare bladeren, als speciale pluim met sporenvormers; of speciale bladeren met sporen: Koningsvaren, Dubbelloof, Struisvaren, Moerasvaren en Kamvaren.

Koningsvaren

De ongeveer bolvormige (soms vertakte) wortelstok heeft een doorsnede tot 30 cm, staat rechtop met daarop de resten van afgestorven bladeren.
Jonge bladeren zijn aan de top opgerold. De buitenste bladen zijn onvruchtbaar. Ze worden 30-200 cm, zijn langwerpig-eirond, dubbel geveerd, met stompe deelblaadjes en een vrijwel gave rand. De steel is korter dan de bladschijf en bedekt met later afvallende, wollige, geelbruine haren.
De binnenste bladeren zijn vruchtbaar en worden meestal iets langer dan de buitenste. Ze hebben een langere steel. De bovenste delen zijn lijnvormig, vaak extra vertakt, dicht bezet met sporendoosjes en eindigen in een bruine pluim.
Op humusrijke grond

Dubbelloof

De bladstelen zijn kort (tot 1/3 keer zo lang als het blad) en donker paarsbruin. Die van de vruchtbare bladeren zijn forser. De bladeren zijn wintergroen. De meeste zijn onvruchtbaar en staan in een rozet. Ze zijn lijnvormig tot langwerpig, veerdelig, enigszins leerachtig, hangen over en worden tot 50 cm lang. In het midden van de rozet groeien enkele vruchtbare, rechtopstaande bladen, die tot 80 cm lang worden. De bladslippen zijn smaller (lijnvormig). De sporen vind je op de hele bladonderkant.

Struisvaren

Met grove bundels, aparte sporepluim. Onvruchtbare bladeren hebben een zeer korte steel, vruchtbare bladeren een langere steel. Onvruchtbare bladeren groeien aan de buitenkant. Deze zijn geveerd, smal langwerpig, naar de top versmald, worden tot 1½ meter lang en met aan beide kanten van de middennerf 30 tot 50 bladparen. Vruchtbare bladeren verschijnen later in het hart van de bundel. Deze staan stijf rechtop, worden ongeveer 0,5 meter lang en zijn eerst groenachtig, maar worden later donkerbruin. Alleen de vruchtbare bladeren overwinteren. In jonge vorm alleen herkenbaar door 2 vaatbundels (mannetjesvaren heeft 5)

Moerasvaren

bladeren hoog opgericht, geen pol maar wortelstokken met afzonderlijke stengels, in veengebieden. De kale bladeren staan verspreid, maar soms enkele dichter bij elkaar. De eerste onvruchtbare bladeren (15 tot 60 cm) verschillen van de latere vruchtbare bladeren (tot 1 meter). Ze zijn langwerpig, aan de voet afgeknot, dubbel veerdelig en kort toegespitst. De deelblaadjes zijn niet gesteeld, diep ingesneden en met een smalle vleugel langs de bladspil. De deelblaadjes van de vruchtbare bladeren zijn langer dan die van de onvruchtbare bladeren.

Kamvaren

rechtopstaande bladeren hebben sporen, platliggende bladeren niet. Veengebieden. De bladeren groeien in bundels. De buitenste bladeren zijn onvruchtbaar en overwinteren niet. Ze worden tot 45 cm lang en geveerd met 10 tot 14 blaadjes aan beide kanten. De deelblaadjes staan af en zijn vlak. De steel is niet meer dan half zo lang als de bladschijf. De binnenste bladeren zijn vruchtbaar. Deze zijn langwerpig en vaak wintergroen. Ze worden tot 80 cm lang, groeien rechtop en bestaan uit meer deelblaadjes. Ze zijn een kwart slag gedraaid als de sporen rijp zijn. De deelblaadjes zijn breed driehoekig en gesteeld. De bladsteel is bedekt met lichtbruine schubben en onderaan donkerbruin. Meestal is de steel korter dan het blad.

 

Kamvaren