Adelaarsvaren

wortelstokken uit de grond. Omgekruld blad met sporenvliesjes langs het blad. Sporen worden zelden aangetroffen. Het eerst opgerolde blad is wollig behaard, maar de beharing verdwijnt later grotendeels. De onderste twee zijassen zijn afzonderlijk opgerold (het lijkt op een klauw). Naar boven toe zijn er steeds minder samengestelde blaadjes. De lange bladsteel is aan de voet zwart, maar wordt naar boven toe groen en de onderkant is licht-wollig behaard.

 

Smalle beukvaren

onderste twee blaadjes (bij de steel) staan haaks op de anderen, als hoorntjes van een schaap. De ijl beschubde bladstelen zijn 1 tot 2 keer zo lang als de bladschijf. De verspreidstaande, korte, tot 50 cm lange bladeren zijn zacht behaard. In omtrek zijn ze smal driehoekig, dubbel veerdelig, met aan beide kanten 15 of meer niet gesteelde, spits toelopende, diep ingesneden deelblaadjes. De onderste blaadjes zijn naar beneden gericht, de bovenste worden steeds kleiner en komen tenslotte samen in een gelobde spits

Gebogen driehoeksvaren

komt in Brabant niet meer voor

 

 

Bladeren alleenstaand, dus niet in centrale bundels

Adelaarsvaren, Smalle beukvaren, Gebogen driehoeksvaren.