Oeverplanten en emergenten (planten die met hun wortels in het water staan maar die voor het grootste deel boven water uitsteken)

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

Beekpunge

De 5-8 mm grote bloemen groeien in tegenoverstaande, lang gesteelde trossen in de bladoksels van de bovenste bladen en hebben een donker hemelsblauwe kroon (zelden roze). De dikke, vlezige, onbehaarde, kruipende en wortelende, hogerop min of meer opgerichte stengels zijn rolrond en bleekgroen of dikwijls roodachtig.  De glanzend donkergroene, kort gesteelde, 1-4 cm lange bladen zijn eirond tot langwerpig, stomp en gekarteld-gezaagd (onregelmatig stomp gezaagd) tot bijna gaafrandig en met een afgeronde top en voet. Beekpunge staat op open, zonnige tot licht beschaduwde, natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak basische en stikstofrijke, vaak kalkhoudende grond of in (zeer) ondiep, vaak stromend water. De bladeren werden en worden wel gegeten als salade. Ook werden ze destijds medisch aangewend tegen scheurbuik en opgeblazenheid.

beekpunge
beekpunge

Blauw glidkruid

De bloemen zitten in paren, die naar één kant zijn gekeerd, in de oksels van de bovenste bladen. Ze zijn paarsblauw of zelden lichtroze en 1-2 cm, korter dan de schutbladen. Op de behaarde onderlip zie je een honingmerk. De kroonbuis is naar boven gebogen. De rechtopstaande, al dan niet vertakte stengels zijn meestal behaard. De langwerpig-driehoekige bladeren zijn zwak getand. Ze hebben naar voren gerichte karteltanden, een iets hartvormige voet en zijn kort gesteeld. Zonnige tot matig beschaduwde, vrij open plaatsen op vochtige tot meestal natte, matig voedselrijke, humeuze, iets kalkhoudende tot vrij zure grond (zand, leem, zavel, veen, klei en stenige plaatsen). Niet op brakke grond.

blauw-glidkruid
blauw-glidkruid

Echte valeriaan

De bloemen vormen vrijwel ronde kluwens. Ze zijn lichtpaars-roze tot bijna wit en 2½-5 mm groot. De helmknoppen zijn paars. De bloemknoppen zijn voor de bloei roze. De stengels zijn kaal. De verspreid staande bladeren staan in 2 rijen. Ze zijn geveerd of veervormig gedeeld met negen  tot eenentwintig  langwerpige, getande bladslippen. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste zijn kleiner en niet gesteeld. Zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op vochtige tot natte, zelden droge, matig voedselrijke tot voedselrijke, zwak zure tot kalkrijke grond (vrijwel alle grondsoorten).

echte-valeriaan
echte-valeriaan

Gevleugeld hertshooi

De lichtgele bloemen staan met vele bij elkaar in een uitgespreide pluim. Ze zijn 0,9-1 cm, met  aan de top zwarte klierpunten. De kroonbladen zijn even lang of iets langer dan de langwerpig spitse kelkbladen, die ook zwarte klierpunten aan de rand hebben. De rechtopstaande stengels zijn naar boven toe vertakt. Ze hebben vier vleugelranden en zijn kaal en hol. Aan de voet liggen ze uitgespreid en wortelen ze soms. De tegenoverstaande bladeren zijn eirond tot langwerpig en omvatten de stengels vaak voor de helft. Ze hebben doorschijnende stippen en aan de randen zwarte klieren. De bladen, die aan de voet van de plant zitten zijn tijdens de bloei al vaak verdwenen. 

gevleugeld hertshooi
gevleugeld hertshooi

Gewone dotterbloem

De glanzend gele bloemen zijn 2-5 cm. Aan de onderkant zijn ze vaak groenachtig. Vijf  bloemdekbladen, zelden meer. Honingklieren aan de voet. De holle, rechtopstaande stengels zijn naar boven vertakt of ze kruipen en wortelen dan op de knopen. De plant groeit in pollen. De stengelknoppen onder de bloemen zijn hol en niet verdikt. Ze wortelen niet. De kale, tot 15 cm brede bladeren zijn hartvormig, getand en glanzig. De onderste bladeren hebben meestal met een lange steel, de bovenste zijn kleiner en vrijwel zonder steel. Dotterbloem staat op zonnige tot halfbeschaduwde, basenrijke en humeuze, natte, matig voedselrijke tot voedselrijke, weinig of niet bemeste bodems bestaande uit diverse grondsoorten (maar bijna niet op zeeklei) waar zuurstofrijk water aanwezig is. Ze staat vaak op plekken met kwel, mijdt zoute omstandigheden en is niet bestand tegen bemesting.

gewone-dotterbloem
gewone-dotterbloem

Grote boterbloem

De helder glanzend gele bloemen zijn 2-4, soms tot 5 cm groot. Ze staan op lange, vertakte stelen. De kroonbladen staan vlak uitgespreid. De eerste bladeren zijn eirond, tongvormig en met een brede, iets hartvormige voet. De stengelbladeren zijn lijnvormig tot langwerpig, verwijderd getand en naar de top en de voet versmald. Ze hebben vrijwel geen steel. De rechtopstaande, holle stengels zijn grijsgroen en vaak rood aangelopen. De bloemstelen zijn niet gegroefd. Grote boterbloem staat op zonnige, zelden licht beschaduwde plaatsen in ondiep of zwakstromend, weinig of niet vervuild water of op natte, matig voedselrijke, zwak zure tot zwak basisch, vaak wat kalkhoudende en stikstofrijke bodems (laagveen, leem, zand en rivierklei). Ze staat vaak op kwelplekken en is zoutmijdend.

Grote boterbloem
Grote boterbloem

Grote watereppe

De bloemen groeien in schermen van 6-10 cm breed met vijftien tot dertig stralen. De witte bloemen zijn ongeveer 4 mm. De kelkbladen zijn priemvormig en vaak ongelijk. Twee tot zes omwindselbladen. De stengels van deze giftige plant zijn kaal, sterk gegroefd, kantig en hol. Grote watereppe heeft geen uitlopers. De ondergedoken bladeren zijn twee- tot drievoudig geveerd met lijnvormige, getande slippen. De andere bladeren zijn 3-6 cm lang, meestal geveerd, vaak met slechts twee paar blaadjes, en fijn gezaagd. Het eindelingse deelblaadje is lang gesteeld.

grote-watereppe
grote-watereppe

Heelblaadjes

De bloemhoofdjes zitten in losse iets schermvormige pluimen. De hoofdjes zijn 1½ -2½ cm. De gele lintbloemen staan horizontaal af. Ze zijn twee  keer zo lang als het groene, beklierde omwindsel. De buisbloemen zijn dooiergeel. De omwindselbladen zijn lijnvormig en viltig. De stengels staan stijf rechtop en zijn meestal strobruin. Ze zijn alleen in de bovenste helft vertakt. Heelblaadjes groeit in groepen. De bladeren zijn grijsgroen, viltig behaard en 3-8 cm lang. De onderste bladeren zijn langwerpig en omvatten de stengel voor de helft. De bovenste bladeren zijn driehoekig-eirond, hebben een hart- tot pijlvormige voet en omvatten de stengel. Aan de rand zijn ze verwijderd gezaagd en iets omgerold. Van boven worden ze spoedig vrij kaal en hebben ze een fijn wrattig oppervlak. Aan de onderkant blijven ze lang witviltig.

Heelblaadjes
Heelblaadjes

Kalmoes

De bloemen zijn groengeel, zeer klein en zitten in een dichte, smalle, opstijgende bloeikolf  (4-10 cm). Bloemen met  zes kelkachtige bloemdekbladen van minder dan 1 mm lengte en eveneens  zes  meeldraden. De stengels zijn driekantig en afgeplat. Aan de ene kant zijn ze scherpkantig en aan de andere kant hebben ze een groef waaruit de bloeikolf te voorschijn komt. Aan de voet zijn ze vaak rood aangelopen. De plant groeit in pollen. De bladeren zijn zwaardvormig, spits en 0,5-2 cm breed. Ze hebben vaak een gegolfde rand en verspreiden een zoete geur. Kalmoesextract wordt gebruikt ter stimulering van de spijsvertering, in Deventer kruidkoeken en in de kruidenjenever Berenburg. Kalmoes staat in en langs zonnig, voedselrijk, stilstaand of stromend, zoet, stikstofrijk, zwak zuur tot kalkrijk water boven bodems van zand, veen of klei.

kalmoes
kalmoes

Kleine egelskop

De bloeiwijze is niet vertakt. De bloemen zijn witgeel van kleur. Er zijn drie  tot zes  vrouwelijke hoofdjes. De onderste zijn vaak gesteeld. In het water zwevende en rechtopstaande stengels. De drijvende bladeren worden tot 1 m lang. De bladeren boven water hangen enigszins over en zijn 0,3-1,2 cm breed. Veder zijn ze driehoekig, glanzend lichtgroen, van boven vlak met een duidelijke middennerf en van onderen min of meer gekield. De schede is niet verwijd. De onderste schutbladen hebben aan de voet een smalle, vliezige rand. Ze zijn niet geoord. Kleine egelskop staat op zonnige plaatse in ondiep, matig voedselrijk tot voedselrijk, zelden heel zwak brak water met een slikkige bodem van zand, leem, rivierklei of laagveen. Het betreft vaak plaatsen waar kwel met zwak zuur of neutraal grondwater optreedt. In stilstaand water kan de plant zich alleen handhaven als de vegetatie regelmatig verwijderd wordt. 
NB: Alleen de Kleine egelskop heeft drijvende vorm, de grote staat.
NB: Pijlkruid en egelskop zijn in vroeg stadium gemakkelijk te verwarren!

Kleine egelskop
Kleine egelskop

Moerasspirea

Een rijkbloemige, brede tuil. De geurende, witte bloemen zijn 5 of soms 6-tallig. De kroonbladen zijn 2 tot 5 mm. De forse, vaak roodbruine stengels zijn niet of alleen bovenaan vertakt.  De tot 60 cm lange bladeren zijn afgebroken geveerd met een groot 3 tot 5-delig topblaadje en 2 tot 5 paar, eironde tot langwerpige, meer dan 2 cm grote zijblaadjes. De deelblaadjes en schutblaadjes zijn ongelijk gezaagd en van onderen vaak witviltig. Grote steunblaadjes. De soort groeit in vochtige, voedselrijke biotopen zoals slootkanten, hooilanden, lichte loofbossen, ruigten, graslanden en rietvelden. Moerasspirea is een soort van redelijk stikstofrijke milieus, maar verdwijnt bij een sterke toevoer van fosfaat en groeit ook niet in zoute milieus. Bij kneuzing van de bladen komt een geur vrij die doet denken aan pleisters. De witte bloemtrossen hebben een aangename geur en werden van oudsher gebruikt als luchtverfrisser in bijvoorbeeld huizen en kerken. Deze zoete geur kan worden ingezet tegen muggen.

Moerasspirea
Moerasspirea

Moeraswederik

De bloemen groeien in afgeronde, langgesteelde trossen in de middelste bladoksels. Ze zijn geel, 4 tot 6 mm groot en meestal 5 of 7-tallig. De kroonslippen zijn lijnvormig en worden afgewisseld met kleine tanden en hebben aan de top rode puntjes. De meeldraden zijn langer dan de kroon. De kelkslippen zijn lijnvormig en spits. De rechtopstaande stengels zijn meestal kaal en hebben bruine klierpuntjes. De tegenover elkaar staande bladeren zijn langwerpig, hebben zwarte klierpunten, zijn niet gesteeld en hebben een halfstengelomvattende voet. Zonnige plaatsen op natte, matig voedselrijke, zwak zure, meestal venige grond en in stilstaand of langzaam stromend water (laagveen, zand, leem, zavel en lichte klei).

Moeraswederik
Moeraswederik

Pijlkruid

De bloemen groeien in trosvormig gerangschikte kransen met meestal 3 bloemen. De bloemen zijn wit, aan de voet paarsgevlekt en 2 tot 2,6 cm groot. De binnenste 3 bloemdekbladen zijn wit en 2 keer zo lang als de 3 groene buitenste. De meeldraden zijn kaal. Paarsbruine helmhokken. De bladstelen en de stengels zijn 3-kantig. In de wortelrozet worden eerst alleen lange, lintvormige bladeren gevormd die onder water blijven. In diep of snel stromend water zijn er alleen maar van deze bladeren. Later ontstaan er ook lang gesteelde bladeren, eerst drijvende, eironde tot langwerpige bladeren, die aan de voet afgerond of min of meer pijlvormig zijn. Tenslotte ontstaan er rechtopstaande bladeren met een boven water uitstekende, diep pijlvormige bladschijf. Pijlkruid staat in en langs zonnige, niet te diepe, luwe, ± voedselrijke, zwak zure tot kalkhoudende, heldere, stilstaande tot zwak stromende, zoete wateren boven een bodem die uit zand, leem en klei kan bestaan en verder een laagje organisch materiaal draagt. NB: Pijlkruid en egelskop zijn in vroeg stadium gemakkelijk te verwarren!

pijlkruid
pijlkruid

Pijptorkruid

De kleine schermen staan aan het eind van de stengels. Ze hebben 2 tot 5 verdikte stralen. Meestal is er geen omwindsel. De bloemen zijn wit of roze en 3 mm groot. De randbloemen van de schermpjes zijn lang gesteeld en iets groter. De middelste bloemen zijn bijna niet gesteeld. De stengels zijn kaal, weinig vertakt, buisvormig, gegroefd, hol en op de knopen vaak ingesnoerd. Pijptorkruid vormt uitlopers. De onderste bladeren zijn 1 of 2-voudig geveerd met eironde, gelobde blaadjes. De bovenste bladeren zijn enkel geveerd met smallere blaadjes. Ze hebben een gave rand en een lange, schedevormige, holle bladsteel, die veel langer is dan de schijf en, evenals de stengel, wijd buisvormig is. Zonnige plaatsen op natte, voedselrijke, vaak kalkhoudende grond of in ondiep zoet of zwak brak water met een bodem van zand, leem, zavel, veen of klei.

Pijptorkruid
Pijptorkruid

Rijstgras

De vrij ijle bloeiwijze is helemaal of voor een deel in de bladschede verborgen of steekt buiten de bovenste bladschede uit. De bloeiwijze is los tot samengetrokken, 10 tot 22 cm lang en heeft bochtige zijtakken. De aartjes zijn 4 tot 5 mm lang en bleekgroen. De kelkkafjes zitten als een smalle rand aan de top van de aartjessteel. De stengels staan recht of liggen soms. Naar boven toe zijn ze al of niet ruw. Op de knopen zijn ze behaard. Rijstgras vormt losse groepen. Voor ontplooiing is de bladschijf opgerold. De bovenkant en de randen zijn zeer ruw door stekeltjes. De bladeren zijn 0,5 tot 1 cm breed en vrij lang. Ze staan stijf schuin uit. Vaak springt de middennerf aan de onderkant min of meer uit. De bladschede loopt aan de top uit in 2 tandvormige vergrotingen, die naast het tongetje staan. Rijstgras staat in ondiep, vaak vervuild, stilstaand of zwak stromend water bij en op open, kale, zonnige en natte, modderige, (zeer) voedselrijke, humeuze, stikstof- en basenrijke, meestal kalkarme, zelden kalkhoudende zand-, leem-, klei- of veenbodems.

Rijstgras
Rijstgras

Waterdrieblad

De bloeisteel is lang en draagt geen gewone bladeren, maar wel een tros van 10 tot 30 bloemen met vrij grote, schubvormige schutbladen. In knop is de bloemkroon naar de top toe roze gekleurd. De geopende bloemen zijn wit, 1,4 tot 1,6 cm groot en stervormig. De binnenkant van de kroonslippen dragen talrijke forse, witte haren. In het water of op nat veen vormt Waterdrieblad horizontale, dikke, groene, vertakte en vrijwel niet behaarde stengels. De bladeren groeien aan de uiteinden van de stengels. Ze zijn groot, 3-tallig met omgekeerd eironde, vaak zwak gekartelde deelblaadjes. 

Waterdrieblad
Waterdrieblad

Zwanenbloem

De schermvormige bloeiwijze steekt boven de bladeren uit. De schutbladen van het bloeischerm zijn langwerpig en toegespitst. De bloemen zijn lichtroze met donkerder aderen. De kale, rechtopstaande bloeistengels zijn fors, rond, niet bebladerd en vaak rood getint.  De wortelstandige bladeren staan rechtop. Ze zijn lijnvormig, biesachtig, iets gedraaid en onderaan driekantig. Aan de voet zijn ze schedevormend. Vroeger werden de wortelstokken in Rusland tot broodmeel vermalen. Zwanenbloem staat in en langs zonnige, iets open, stikstof- en voedselrijke, neutraal tot kalkrijke, zoete tot zwak brakke, stilstaande tot zwak stromende wateren boven een bodem van allerlei grondsoorten met een licht voorkeur voor klei. 

Zwanenbloem
Zwanenbloem