Mossen

hebben geen wortel- en vaatstelsel. Het transport van voedingsstoffen vindt vooral uitwendig plaats, langs het oppervlak van de mosplant. Het groene deel van mossen is slechts één tot enkele cellagen dik en heeft – in tegenstelling tot vaatplanten – geen vochtafstotende opperhuid. Daardoor kunnen waterdruppels vrijwel direct de bladcellen binnen dringen, maar vocht kan even zo snel weer naar buiten: als sponzen. Mossen zijn vaak pioniers en het hele jaar door aanwezig. Ze worden niet gegeten!

Enkele algemeen voorkomende mossen

Levermossen:

is de meest eenvoudige groep. Ze hebben geen nerven, altijd bekertjes. Ze vallen uiteen in twee groepen.

  • 1. De bebladerde levermossen of folieuze levermossen: altijd met stengel en twee rijen blaadjes.
  • 2. Thalleuze levermossen: hebben geen steel en blaadjes, maar bestaan uit een onvertakte of gevorkte bladachtige flap (thallus)
Gaaf kantmos Bladtop ondiep ingedeukt of afgerond, nooit scherp tweetoppig.
Gedrongen kantmos Folieus levermos (een stengeltje met twee rijen bladeren), groeit tegen dood hout aangedrukt, op vochtige plaatsen. Bladeren zowel rond als twee-toppig.
Gewoon kantmos Als gedrongen kantmos, maar alléén 2-toppige blaadjes. Komt overal voor, niet alleen op dood hout.
Parapluutjesmos Thalleus levermos (grote groene flappen), op de grond. Op het blad vaak vele broedbekertjes. Groeit op vochtige plaatsen.

 

BLADMOSSEN

zijn te verdelen in

  • veenmossen,
  • slaapmossen en
  • topkapselmossen:
Veenmossen: stengeltje met veel vertakkingen aan de top
Geoord veenmos hoofdjes met aanliggend bebladerde, gebogen takken (koehoorntjes). Veel in moeras en nat schraal grasland.
Gewimperd veenmos Topje aftrekken, aan einde van takje zie je kransjes van witte stengelblaadjes = gewimperd. Ziet er fijner, ieler uit dan geoord veenmos.
Slaapmossen de stengel is vertakt, sporenkapsel staat zijdelings (niet aan de top van de stengel), de stengel is liggend
Boomsnavelmos Glanzende matten, stengel onregelmatig vertakt, blad eirond tot driehoekig, geleidelijk versmald. Komt voor op steen, schors en hout, bij voorkeur op plaatsen die wat voedselrijker zijn.
Bronsmos Vrij forse plant met rood-bruine stengels (zie je het beste als je de plant tegen het licht houdt). Plant vrij sterk vertakt. In open naaldbossen of dichtgroeiende heide.
Dikkopmos (Gewoon) Lichtgroene forse plant, waarvan de dikke, lichte stengeltoppen vaak goed opvallen. Groeit op allerlei plaatsen. In het winterhalfjaar vaak met een dik, kort en gekromd sporenkapsel. Heeft wratjes op de stengel
Dikkopmos (Bleek) uittredende haar als een penseeltje
Fijn laddermos Fijn vertakt. Een hoofdstengel met regelmatige zijtakken. Plant licht- tot geelgroen.
Geplooid snavelmos Stijf afstaande driehoekige bladen aan onregelmatig vertakte planten die losse ruige weefsels vormen. Met de loep zijn de lengteplooien van de stengelbladen goed te zien en de fijn getande bladrand.
Gewoon klauwtjesmos Aan de onderkant van de bomen groeit meestal klauwtjestand. De toppen van de blaadjes zijn naar beneden gekromd (vgl de nagels van een kat). Aan de bovenkant ziet de plant er meestal vlak uit. Plant vrij sterk vertakt. Zeer algemeen en vormenrijk. Groeit op de bodem, maar ook zeer veel op boomvoeten.
Haakmos groeit veel in gazons. Langgerekte plant. De bladeren zijn terug gekromd, groeien terug naar eigen kant van het steeltje
Heideklauwtjesmos Als gewoon klauwtjesmos, alleen de bladeren meer in één vlak liggend. Zeer algemeen op voedselarme gronden, zoals schrale bossen en heiden. Groeit vrijwel nooit op bomen.
Moerassikkelmos Topjes krullen om als een sikkel. komt omhoog, staat nat en lijkt op klauwtjesmos, maar dat ligt plat en staat droog.
Peermos Ruikt naar snijbonen! is algemeen door het hele land met uitzondering van de Kleidistricten. Eenmaal gevestigd, kan het zich handhaven onder extreme condities: van gortdroog tot kletsnat.
Pronkmos (gewoon) Lange dunne stengeltjes, plat, klein, glanzend. Een lichtgroen mosje van greppelkanten en tegen boomvoeten (veel bij beuk). Tussen de bladeren staan vaak busseltjes met broedtakjes. Groeit altijd op de grond.
Pronkmos (geklauwd) Matjes. Blad eirond tot lancetvormig met geleidelijk of vrij plotseling toegespitste top. Vooral voor op ontschorste liggende dode bomen en soms op boomvoeten en strooisel, meestal in bossen op kalkarme bodem.
Puntmos Heeft een duidelijk voelbare harde punt. Is een soort van extensief beheerde graslanden alsmede van gazons, broekbossen en oevers, vooral op plaatsen waar de vochtigheid sterk wisselt gedurende het jaar. De soort komt normaal op de grond voor, maar soms op stamvoeten of op dood hout. Puntmos kan in schraalgraslanden zeer dominant worden als er sprake is van verdroging en lichte eutrofiëring.
Rond(bladig) boogsterrenmos Groeit op droge tot matig vochtige standplaatsen en op enigszins humusrijke bodem, die kan variëren van zwak zuur tot basisch. De groeiplaats is vaak beschaduwd, maar kan ook meer open zijn. De biotopen zijn nogal divers, maar zijn vaak sterk door mensen beinvloed. Zo vindt je deze algemene soort bijvoorbeeld aan greppelwanden en beekoevers, in naaldbossen, broekbossen, de duinen en parken, op boomvoeten, bospaden en kalkgraslanden.
Smaragdmos Zeldzaam. Groeit onder meer in open, droog, zwak stuivend duingrasland, kalkgrasland, kalkrijke rivierduinen, op zonnige oude muren en op dijken van basisch gesteente. De soort wordt vooral in de duinen en in Zuid-Limburg, langs de grote rivieren en de IJsselmeerkust gevonden. Op de Waddeneilanden wordt de soort relatief vaak langs met schelpen verharde fietspaden aangetroffen. Het aantal vondsten op de zandgronden in het binnenland was voor 1980 al gering, en is vanaf 1980, waarschijnlijk vooral door verzuring en vermesting, nog minder geworden. Is te herkennen aan de stijve, rechte stengels en takken en de rechtzijdige, smal driehoekige, in de lengte diep en lang geplooide blaadjes. Verwarring is mogelijk met Zijdemos, dat meestal kleiner is en hakig gekromde takken heeft, en Dikkopmossen, waarvan de bladen eveneens geplooid zijn, maar met een smallere basis en meer toegespitst.
Topkapselmossen stengel is onvertakt, hebben kapsel aan stengeltop, stengel staat rechtop.
Boskronkelsteeltje Dit mos is donkergroen van kleur. Hierbij breken hele stengeltoppen af.
Breekblaadje ( gewoonkronkelsteeltje) Kronkelsteeltjes zijn veel voorkomende mossoorten. Ze hebben heel lange, smalle bladeren met een heel brede nerf. Het plantengeslacht staat erom bekend dat blaadjes of stengeltoppen gemakkelijk losbreken. Hiermee kan de plant zich ongeslachtelijk vermeerderen. Breekblaadje is licht-tot geelgroen en alleen de bootvormige blaadjes breken af.
Gaffeltand groeit naar één kant onafhankelijk van zon of wind
Geelsteeltje Aan de onderkant van berken groeit meestal geelsteeltje. Heeft heel dunne en lange bladeren, maar deze buigen niet duidelijk naar een kant. De kapsels zijn fris lichtgroen. Als deze ouder zijn, worden ze donker of oranje-geel van kleur en blijven bijna een heel jaar zichtbaar. Dit mos is pas in 1943 voor het eerst in Nederland waargenomen. Nu algemeen op de voet van o.a. berken, dennen en eiken.
Gewoon knopmos groeit vrijwel altijd op vermolmd hout in bossen, ook wel op boomvoeten en op oude humus. Plant rozetvormig. Blad min of meer ovaal, nerf treedt uit als stekelpunt.
Gewoon sterrenmos De mannelijke voortplantingsorganen zien er uit als sterretjes. Tandjes aan bladrand, uittredende bladnerven. Donkergroen mos van ca. 2-4 cm lang. De sterretjes zijn alleen aan de top te zien in de voortplantingstijd. Veel langs greppels en aan beukenvoeten.
Grijs kronkelsteeltje (cactusmos) Tot 5 cm hoge plant met zeer lange, dunne bladeren. Aan de top van de bladeren zit bij volgroeide planten een grijze glashaar die vaak haaks gaat afstaan. In 1961 voor het eerst in Nederland en nu algemeen tot zeer algemeen. De kapsels kronkelen.
Haarmos Fraai Forse donkergroene planten. Bladeren staan mooi uit. Wordt vaak ten onrechte sterremos genoemd. Als je voorzichtig een blaadje lostrekt van de stengel, blijft er een vliesje aan het blad vastzitten. Groeit meestal in het bos.
  Gewoon staat buiten het bos
  Ruig Plantje van 1-2 cm hoog. De bladeren zijn naar binnen toe ingerold. Aan het eind van het blad zit een glashaar. Groeit op droge, zandige gronden (bv. heiden).
  Zand Ongeveer gelijk aan ruig haarmos, maar meestal iets forser. De top van het blad heeft wel een scherpe punt, maar er zit nooit een glashaar.
Knikmossen Hebben een geknikt steeltje. Er zijn tientallen soorten knikmossen die moelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Sommige maken ook vrijwel nooit van die geknikte kapsels, maar vermenigvuldigen zich met allerlei broedorganen in de bladoksels of aan de rhizoiden in de bodem.
Knikmos (gedraaid) Gedraaid knikmos maakt wel vaak een kapsel: het groeit o.a. veel op muren. De brede bladeren hebben een lange punt en uittredende glashaar.
Kussentjesmos: Grijs-groen-blauw van kleur met vrij forse bladeren en bijna altijd zonder kapsels. Vormt mooie kussentjes die vaak losraken.
Krulmos heeft een krullend steeltje en groeit meestal op de grond
Muursterretje Zeer kleine plantjes op muren en andere stenen bouwsels. Vrij ronde bladeren met aan de top een zeer lange uittredende glashaar.
Muisjesmos De kleine plantjes vormen tezamen zeer mooie kussentjes. Door de vele lange glasharen aan de bladtoppen kunnen de kussentjes grijsachtig overkomen. Groeit op muren en stenen.
Neptunusmos Piepklein drietandblad. In oudere vooral luchtvochtige bossen
Pluisjesmos (Gewoon) Tot 2 cm hoge plantjes met zeer dunne bladeren. De bladeren buigen aande top naar één kant. Een miniatuurvorm van gaffeltand. Zeer algmeen in bossen.
Purpersteeltje is roder dan het geelsteeltje en groeit op de grond. Een zeer algemeen mosje dat vooral op de bodem groeit. Blaadjes vaak in elkaar gevouwen. In het voorjaar heeft het vaak een veel kapsels: mooie wijnrode kapselstelen en huikjes.
Rimpelmos Donkergroen, vrij fors mos. De bladeren zijn dwarsgerimpld. Sporenkapsels zijn lang, gekromd op een rode steel. Lang, smal, getand blad in V-vorm
Zilvermos Zeer kleine wit-zilverachtige plantjes (onvertakte minizeekraaltjes). Bladeren liggen dakpansgewijs. Vaak tussen straat- en stoeptegels. Kapselsteel is geknikt (een knikmos) met bij rijpheid donkerbruine kapsels.

A.  De Levermossen 

1. De bebladerde levermossen of folieuze levermossen: altijd met stengel en twee rijen blaadjes. Ze maken wel kapseltjes, maar die hebben nooit kleur. Komen vooral voor op rottend hout. Sporendoosje springt open met vier kleppen

2. Thalleuze levermossen: hebben geen steel en blaadjes, maar bestaan uit een onvertakte of gevorkte bladachtige flap (thallus)
Sporendoosje springt open met vier kleppen

B . Bladmossen

die onder te verdelen zijn in drie groepen:

1. Veenmossen: stengeltje met veel vertakkingen aan de top, hebben speciale watercellen

2. Topkapselmossen: stengel is onvertakt, hebben kapsel aan stengeltop, stengel staat rechtop.

3. Slaapmossen: stengel is vertakt, sporenkapsel staat zijdelings (niet aan de top van de stengel), de stengel is liggend

C. Hauwmossen

zijn pioniers op vochtige, meestal leemhoudende bodem. Ze zijn zeldzaam. Hauwmossen hebben een relatie met blauwwieren.