KNOPPEN van bomen en struiken

De determineertabel heeft als uitgangspunt de knoppentabel van Sam Segal, die eertijds werd uitgegeven door N.J.N. en l.V.N, werd bijgewerkt door Thijs Asma en uitgebreid door Hilde van der Stelt.

1a Knoppen en twijgen twee aan twee tegenover elkaar, soms kransen van drie of meer knoppen 2
1b Knoppen en twijgen verspreid 9
1c Roodachtige knoppen, deels iets schuin tegenover elkaar, deels verspreid, twijgen zeer buigzaam  BITTERE WILG (Salix purpurea)
  KNOPPEN TEGENOVERSTAAND  
2a Knoppen zonder knopschubben (‘naakt” of ”onbedekt”) 9
2b Knoppen met knopschubben 4
2c Knoppen niet gesloten, klein en bruin, twijgen met dikke witte mergkern. Knoppen onderaan groen, hoger paars. Roodbruine verheven lenticellen VLIER (Sambucus nigra)
  ZONDER KNOPSCHUBBEN  
3a Twijgjes groen, de bladknop bestaat uit 2 groene bladslipjes, bloemknoppen bolvormig, bloeit gewoonlijk half februari GELE KORNOELJE (Cornus mas)
3b Opgerichte twijgen rood. De bladknop bestaat uit twee stevig aaneensluitende, overlangs geplooide blaadjes RODE KORNOELJE (Cornus sanguinea)
3c Dunne ronde holle twijgjes, meestal in de winter nog met witte of roze bessen SNEEUWBES (Symphoricarpos albus)
3d Knoppen in de winter gedeeltelijk uitgelopen BUDDLEYA (Buddleja davidii)
  MET KNOPSCHUBBEN  
4a Slechts één knopschub  
4a-1 Knopschubben roodachtig, twijgjes grijsbruin, kantig GELDERSE ROOS (Viburnum opulus)
4a-2 Vele afwisselend geplaatste knoppen, roodachtig, bast van binnen citroengeel BITTERE WILG ( Salix purpurea)
4b Meer dan één knopschub 5
5a Klimplant, stengels rond en glad KAMPERFOELIE (Lonicera periclymenum)
5b Klimplant, stengel 6-hoekig, zijtakjes in de oksels van de ranken CLEMATIS (Clematis spec.)
5c Geen klimplant, gewone boom of struik 6
6a Twijgen groen, met lijsten van bladmerk af naar beneden, knoppen met vele schubben, onderste knopschubben bruin (bloeit ‘s winters met gele bloemen) WINTERJASMIJN ( Jasminum nudiflorum )
6b Eindknop meestal even groot als zijknop, groter dan 4 mm SERING (Syringa vulgaris)
6c Bladkussen sterk ontwikkeld, knoppen in het weefsel verborgen, maar komen in de winter door het bladmerk heen. Kleine bruine knopjes aan de basis van, of tegenover de zijtakjes, overlangse groeven in de schors van de takken. BOERENJASMIJN (Philadelphus coronarius)
6d Doorsnede door twijgjes vierkant, hout bij doorsnijden welriekend WINTERBLOEIER (Chimonanthus praecox)
6e Knoppen zichtbaar of achter het bladkussen, dikke twijgen die meestal eindigen in pluim van naakte bloemknoppen. ANNA PAULOWNA BOOM (Paulownia tomentosa)
6f Dunne twijgen, kortloten met een groot aantal smalle, bruine bladknoppen met niet aangedrukte schubben, verhoogde lenticellen CHINEES KLOKJE (Forsythia viridissima)
6g Geen van deze 7
7a Knoppen geheel groen  
7a-1 Twijgjes grijs, rond, takken enigszins donzig. Knoppen hoogstens 2,5 cm. Vrij lage struik, behoudt meestal de bladeren. Ovaal bladlitteken met 1 spoor LIGUSTER (Ligustrum vulgare)
7a-2 Twijgjes donkergroen, vierkant, gevleugeld, knoppen groter dan 2,5 cm KARDINAALSMUTS (Euonimus europeus)
7b-1 Knoppen zwart, dof en hoekig (vooral de eindknop) stevig, met vier knopschubben. Twijgjes grijs met spikkels ES (Fraxinus excelsior)
7b-2 Knoppen bruin, fijn behaard. Twijgjes ook iets behaard aan uiteinde. Schors glad PLUIMES of MANNA ES (Fraxinus ornus)
7b-3 Knoppen dikker dan de tak en kleverig, groot bladlitteken PAARDEKASTANJE (Aesculus hippocastanum)
7b-4 Knoppen klein en donker grijsbruin. Twijgjes kaal en grijs. Takken eindigen in een doorn, met vlak daaronder een paar knoppen WEGEDOORN (Rhamnuscathartica)
7b-5 Twijg met eindknop ca.3 mm dik, jonge takken met sterk kurkweefsel, zijknoppen Met 2-4 schubben. knopschubben donkerbruin tot bruinrood SPAANSE AAK (Acer campestre)
  Geen van deze knopschubben roodbruin en/of gedeeltelijk groen 8
8a Knoppen groot, tot 1,5 cm, even lang als breed. Eindknop groter dan de zijknoppen, bevat ook de bloem. Zijknoppen met 4-6 schubben. Knopschubben wijnrood, aan de schaduwzijde groenachtig, licht gewimperd NOORSE ESDOORN (Acer platanoides)
8b Twijgen glad, glanzend groen-bruin berijpt, bladmerken elkaar rakend, 2-4 schubben, knoppen zijdeachtig behaard VEDERESDOORN (Acer negundo)
8c Knoppen spits afstaand, 6-8 mm, knopschubben heldergroen, met donkergekleurde iets gerimpelde rand GEWONE ESDOORN (Acer pseudoplatanus)
8d Knoppen 2-3 mm. Eindknop groter dan de zijknoppen, donkere bruine knoppen met geelwitte rand langs de knopschubben SUIKERESDOORN (Acer saccharum)
8e Bruine overhangende twijgen, knopschubben roodachtig, dicht roestbruin gewimperd WITTE ESDOORN (Acer saccharinum)
  KNOPPEN VERSPREID  
9a Bladmerk met 2 sporen (vaatbundels) GINKGO (Ginkgo biloba)
9b Takken met doorns 10
9c Dunne, lange en buigzame twijgen met stekels 14
9d Takken zonder stekels of doorns 18
  MET DOORNEN  
10a Knop bestaat uit twee of meer niet geplooide, goudbruine blaadjes. Knoppen dicht bijeen, twijgen grauw, vaak met schilfers DUINDOORN (Hippophaë rhamnoïdes)
10b Knoppen verborgen achter een “knopstoel”, aan elke kant van een knop een stevige doorn ACACIA (Robinia pseudo-acacia)
10c Knoppen met knopschubben 11
11a Knop met slechts één knopschub, meest driedelige doorns, soms veranderd in stekelige steunblaadjes, lakken op doorsnee citroengeel ZUURBES (Berberis vulgaris)
11b Knop met meer knopschubben 12
12a Knoppen ongesteeld 13
12b Knoppen kort gesteeld, onder de knop 1-3 doorns en dikwijls langs de stengel vele kleine doorntjes. Merg wit. Knopschubben slecht aansluitend. Bladlitteken U tol V-vormig met sporen KRUISBES (Ribes uva-rispa)
13a Zijknop staat naast een hoogstens 3 cm. lange doorn of een doornachtige twijg. Eindknop duidelijk groter dan de zijknoppen MEIDOORN (Crataegus monogyna)
13b Zijknop wordt zijtak die knopjes draagt. Knoppen roodbruin, halve bolletjes, kleiner dan 2 mm SLEEDOORN (Prunus spinosa)
13c Knoppen niet behaard, maar wel gewimperd. Knopschubben met donkerbruine randen MISPEL (Mespilus germanica)
13d Knoppen behaard, paarsbruin en aanliggend. Twijgen veelal gedoornd. WILDE APPEL (Malus svlvestris)
  MET STEKELS  
14a Littekens van de afgevallen bladeren meestal onduidelijk doordat het onderste gedeelte van de bladsteel overblijft 15
14b Littekens van de afgevallen bladeren smal, soms zelfs een enkel lijntje. Zeer ver uitstekende bladkussens. Stekels van de braam groter en krommer dan van de framboos BRAAM EN FRAMBOOS (Rubus spec.)
15a Stekels alle gelijk van vorm, onderaan verdikt 16
15b Stekels ongelijk, deels kegel- of priemvormig, deels draadvormig. Sommige met kliertjes aan de top DUINROOS (RosapimpinelliÍolia)
16a Stekels sikkelvormig 17
16b Stekels lang en recht, of nauwelijks gebogen BOTTELROOS (Rosa villosa)
17a Lange, hangende of liggende twijgen EGELANTIER (Rosa rubiginosa)
17b Staande twijgen, knoppen enigszins rood aangelopen HONDSROOS (Rosacanina)
  ZONDER STEKELS OF DOORNS (Knoppen verspreid)  
18a Knoppen in twee rijen langs de stengel 19
18b Knoppen in meer dan twee rijen 24
  TWEERIJ-IG  
19a Knoppen meer dan tweemaal zo lang als breed 20
19b Knoppen minder dan twee maal zo lang als breed 21
20a Knoppen langer dan 1 cm. Lichtbruin en glanzend, afstaand, schijnbare eindknop, twijg bij knoppen geknikt Knopschubben spiraalsgewijs BEUK (Fagus sylvatica)
20b Knoppen korter dan 1 cm, aanliggend. Schubben bruin en glanzend, Schijnbare eindknop. Twijgen gespikkeld. HAAGBEUK (Carpinus betulus)
21a Knoppen bedekt door één schub, purper. Bij elke knop loopt onder het litteken een donkere ring om de twijg. Stam afschilferend PLATAAN (Platanus spec)
21b Knoppen bedekt door twee, soms drie ongelijke schubben  
21b-1 Jonge twijgen aan het einde kantig, dik. Knoppen gedrongen, breed en zittend, geelbruin. Merg 5-stralig, geelgroen TAMME KASTANJE (Castanea sativa)
21b-2 Jonge twijgen rond, slank. Knoppen roodbruin. Merg wit. Twijguiteinde kaal WINTERLINDE (Tiliacordata)
21b-3 ldem, twijgen aan het uiteinde behaard ZOMERLINDE (Tilia platyphyllos)
21c Knoppen met meer dan drie schubben 22
22a Knoplengte kleiner dan twee maal de dikte. Knoppen stomp, rond tol eivormig, schubben groenachtig. Twijgen grijs en licht behaard; HAZELAAR (Corylus avellana)
22b Knoppen roodbruin behaard en twijgen behaard. Knoppen gedrongen, kort, kegelvormig en dik. Twijgen dik, bij de knoppen geknikt BERGIEP, RUWE IEP (Ulmus glabra)
22c Knoppen puntig en bruin, twijgen kaal en donkergrijs 23
   
23a Takken met kurkvleugels KURKIEP (Ulmus carpiniÍolia var. suberosa)
23b Takken zonder kurkvleugels  
23b-1 Knoppen kaal, lichtbruin met donkere rand STEELIEP (Ulmus laevis)
23b-2 Knoppen behaard, slank, spits GLADDE IEP, VELDIEP (Ulmus carpiniÍolia)
  MEERRIJ-IG  
24a Knoppen onbedekt 25
24b Knoppen bedekt 27
   
25a Klimplant met dikke en groene witviltige knoppen PIJPBLOEM (Aristolochia clematitis)
25b Boom of heester 26
   
26a Twijgen grijsbruin, gevuld met geelrood merg, met wijde witte poriën, knoppen spits, soms groot en donker, bladmerk vlak VUILBOOM (Frangula alnus)
26b Merg wit en geladderd. Knop bestaat uit twee geplooide en behaarde blaadjes VLEUGELNOOT (Pterocarya fraxinifolia)
27a Klim- of slingerplant  
27a-1 Stengel hol, bijna kruidachtig BITTERZOET (solanum dulcamara)
27a-2 Stengels hol, ruw HOP (Humulus lupulus)
27b Boom of heester 28
28a Knop met slechts één knopschub 29
28b Knop met twee of drie knopschubben, soms een of twee kleine schubben aan de voet 33
28c Knop met vier of meer schubben 34
  KNOP MET ÉÉN KNOPSCHUB (dus meerrijig)  
29a Knoppen afstaand, rood. Schors afschilferend met plakkaten PLATAAN (Platanus spec.)
29b Lage struik, knoppen kaal BOSBES (Vaccinium spec.)
29c Niet aldus (Wilgen) 30
  WILGEN  
30a Twijgen behaard 31
30b Twijgen kaal of zeer weinig behaard 32
31a Eenjarige twijgen minder dan 0,5 cm. in doorsnede:  
31a-1 Lage struik met kleine knoppen, twijgjes weinig behaard KRUIPWILG (Salix repens)
31a-2 Boom met zijdeachtig behaarde, lichtgroene twijgen Kleur gelijk aan de knoppen. SCHIETWILG (Salix alba)
31b Eenjarige twijgen meer dan 0,5 cm. in doorsnede:  
31b-1 Naakt hout (zonder bast) met lengtestrepen. Twijgen losviltig GRAUWE WILG (Salix cinerea)
31b-2 Naakt hout zonder lengtestrepen. Twijgen geelachtig, met donkergrijs vilt KATWILG (Salix vim inalis)
32a Twijgen kaal en breken gemakkelijk bij aanhechting af KRAAKWILG (Salix Íragilis)
32b Twijgen donkerbruin met haarresten bij de knoppen WATERWILG (Salix caprea)
32c Twijgen bruinachtig grijs, geheel kaal AMANDELWILG (Salix triandra)
KNOP MET TWEE OF DRIE KNIOPSCHUBBEN (meerrijig)  
33a Knoppen in drie rijen, gesteeld, merg driestralig, groen (Elzen)  
33a-1 Schors ruw, zwartbruin tot rood, gescheurd. Knoppen blauwrood, steeltje tot 1/2 van de knoplengte ZWARTE ELS (Alnus glutinosa)
33a-2 Schors grijs en glad, knoppen grijs behaard, steeltje hoogstens ¼ van de knoplengte GRAUWE ELS (Alnus incana)
33b Knoppen zittend  
33b-1 Eindknoppen zwart en bolvormig, groter dan de zijknoppen, bladlittekens haftvormig, groot met drie duidelijke sporen. Merg geladderd, schors grijs WALNOOT (Juglans regia)
33b-2 Eindknop bruin, behaard en iets afgeplat, twijgen bruin behaard, dik. Lenticellen niet opvallend. Zijknoppen zeer klein en bolvormig ZWARTE NOOT (Juglans nigra)
 

KNOP MET VIER OF MEER KNOPSCHUBBEN (meerij-ig)

 
34a Knoppen als balletjes op de twijg geplakt, bruin met zeer veel schubben. Twijgen sterk gegroeid LARIKS (Larix leptolepis)
34b Knoppen met veel schubben, niet bolvormig 35
   
35a Een aantal knoppen bij elkaar aan twijguiteinde 36
35b Knoppen niet op uiteinde geconcentreerd 37
   
36a-1 Knoppen omringd door langwerpige steunblaadjes MOSEIK (Quercus cerris)
36a-2 Knoppen zonder steunblaadjes, knoppen viltig behaard ZACHTE EIK (Quercus pubescens)
36a-3 Knoppen stomp én gewimperd, eindknoppen dik eirond- kegelvormig, niet groter, dan de zijknoppen ZOMEREIK (Quercus robur)
36a-4 Knoppen kaal en spits, gladde stam AMERIKAANSE EIK (Quercus rubra)
36a-5 Knoppen kaal en spits, gegroefde schors, eindknoppen groter dan de zijknoppen, zijknoppen slanker dan bij de zomereik WINTEREIK (Quercus petraêa)
   
37a Twee verschillende typen knoppen, bladknoppen zo groot als speldeknoppen, bloemknoppen rond en kegelvormig, twee maal zo groot als de bladknop, geurig GAGEL (Myrica gale)
37b Eindknop duidelijk groter dan de zijknoppen 38
37c Alle knoppen ongeveer even groot 42
   
38a Twijgen en knoppen behaard 39
38b Alleen knoppen behaard 40
38c Knoppen kaal of gewimperd 41
   
39a-1 Volledig witviltig behaard, knopschubben groenig bruin WITTE ABEEL (Populus alba)
39a-2 Slechts hier en daar viltige beharing, knopschubben bruin GRAUWE ABEEL (Populus canescens)
  Alleen knoppen behaard  
40a-1 Knoppen groot, diep paarsbruin, randen knopschubben en uiteinden slordig behaard. Opvallende roodbruine lenticellen. Bladlitteken smal LIJSTERBES (Sorbus aucuparia)
40a-2 Knoppen groot, geelgroen, afstaand. Knopschubben slordig behaard en gekield. Twijgen lang, recht met veel witte lenticellen. Schors glad, paarsbruin MEELBES (Sorbus aria)
Knoppen kaal of gewimperd  
41a-1 Grote eindknoppen, zeer kleverig en naar balsem ruikend, knopschubben kaal of gewimperd. Knoppen groot, roodbruin, spits, aanliggend. Twijgen kantig, roodbruin BALSEMPOPULIER (Populus candicans)
41a-2 Knoppen afstaand, kaal, glanzend, kogelrond, geel met donkere randen. Knoestig kortlot. Blad- litteken groot, schors afschilferend ELSBES (Sorbus torminalis)
41a-3 Knoppen aanliggend, driekantig bruin, kleiner dan 1 cm RATELPOPULIER (Populus tremuta)
41a-4 Knoppen ook aanliggend, groter dan 1 cm,
jonge twijgen geelachtig, rond. Hoek tussen
zijtwijgen en hoofdtwijg stomp
ZWARTE POPULIER (Populus nigra)
41a-5 Knoppen aanliggend, eindknop groter
dan 1 cm, jonge twijgen zeer kantig, oudere
twijgen met kurklijsten. Hoek russen zij- en
hoofdtwijg scherp
CANADESE POPULIER (Populus x canadensis)
42a Knoppen behaard 43
42b Knoppen kaal 44
   
43a-1 Knoppen en twijgen behaard, knoppen min of meer aanliggend, spits ei tot kegelvormig. Hoek tussen zij- en hoofdtwijg groot. Schors opvallend wit ZACHTE BERK (Beruta pubescens)
43a-2 Knoppen behaard, afstaand. Jonge twijgen dicht grijswit behaard. Grote rode lenticellen. Langloten afbladderend WEICHSELBOOM (Prunus mahateb)
43a-3 Knopschubben zilvergrijs behaard, jonge twijgen behaard, knoppen afstaand, eirond, iets toegespitst. bloemknoppen íets groter dan de bladknoppen. Lenticellen klein, okerkleurig. GEWONE GOUDEN REGEN (Laburnum anagyroides)
   
44a Knoppen met korte steeltjes en eivormig 45
44b Knoppen niet gesteeld 46
   
45a-1 Knoppen ruiken sterk bij wrijven, cassisachtig. Knoppen groenachtig met gele klierhaartjes en een dun wasachtig laagje. Bladlitteken omgeeft de halve twijg ZWARTE BES (Ribes nigrum)
45a-2 Knoppen niet sterk geurend met een spitse top RODE BES (Ribes vulgare)
   
46a Knoppen aanliggend 47
46b Knoppen afstaand 48
   
47a-1 Knoppen lang en slank (lengte meer dan 3x de doorsnede). Knopschubben zeer dun en gewimperd DRENTS KRENTEBOOMPJE (Amelanchier lamarckii)
47a-2 Knoppen korter, kleiner dan 3x de doorsnede. Knopschubben leerachtig, niet gewimperd GEWONE VOGELKERS (Prunus padus)
   
48a-1 Knoppen donkerbruin en twijgen vol uitstekende wasklieren en lenticellen RUWE BERK (Betula pendula)
48a-2 Knoppen lichtbruin en twijgen glad. Knoppen ei- tot kegelvormig en glanzend. Bloemknoppen vooral aan kortloten opgehoopt. Twijgen slank, grijsbruin met grote lenticellen ZOETE KERS (Prunus avium)
48a-3 ldem, maar met oranje uitpuilende lenticellen JAPANSE KERS (Prunus serrulata)

Beknopt

  1. Eindknop. Vaak wat dikker
  2. Ringlitteken. Hier zaten de schubben van de eindknop van vorig jaar. (zie ook bij 10)
  3. Zijknop of okselknop. De oksel was van het afgevallen blad.
  4. Slapende knop. Tot nu toe klein gebleven, maar kan jaren later nog uitlopen, bijvoorbeeld bij beschadiging van de boom of door snoeien.
  5. Knopschubben. Ter bescherming tegen kou, vocht en droogte enz. Ze liggen dakpansgewijs over elkaar. Aantal verschilt per soort.
  6. Bladlitteken of bladmerk. Hier heeft de bladsteel aan de tak gezeten. Bij de puntjes in het bladmerk zaten de kanaaltjes naar het blad en in de andere richting.
  7. Bladkussen, De verdikking van de twijg waarop de bladsteel rust.
  8. Schorsporiën of lenticellen. Ademhalingsopeningen. De boom leeft immers?
  9. De plaatsing van de knoppen is hier tegenoverstaand. Kan ook afwisselend (links of rechts) zijn, of verspreid. Ook in het laatste geval zit er systeem in.
  10. Kortlot. Soms zitten de ringlittekens (zie 2) heel dicht bij elkaar. Zo'n takje heet een kortlot.
  11. Merg. In ons voorbeeld rond; bij de eik b.v. is het vijfhoekig.

Gegevens, nodig bij het determineren.

Bladkussen   Een verdikking op de stengel waar het blad gezeten heeft.
Bladlitteken (Ook wel bladmerk) Een litteken op de plaats, waar het blad was aangehecht.
Bladsporen Stipjes in het bladmerk, overblijfselen van de vaatbundels, die naar het blad liepen.
Bladslipjes Niet aaneengesloten topjes van een bladknop.
Boom Plant met een enkele, stevige, overblijvende stam, die zich pas op zekere hoogte boven de grond vertakt.
Heester  Houtgewas waarvan de zijtakken zich sterker ontwikkelen dan de hoofdas en doorgaans laag beginnen.
Struik Houtig gewas, waarvan de takken en twijgen vanaf de grond reeds uiteengaan of tenminste  op een hoogte van max. 40cm. Het oord struik wordt ook voor kruidachtige planten  gebruikt.
Doorn Een scherp uitsteeksel van de tak of twijg dat met het binnenste hiervan is verbonden. Kan enkelvoudig zijn of driedelig.
Stekel Scherp uitgroeisel van de opperhuid van de plant.
Knoop Verdikking van de stengel waar de bladeren zijn ingeplant.
Knop Jongste deel van de stengel met nog niet ontwikkelde bladeren of bloemen. Meestal door schubben omgeven.
De stand van de knoppen kan zijn:

naakte-knoppen

  • in kransen rondom de stengel of tak
  • overstaand op iedere knoop 2 knoppen tegenover elkaar
  • verspreid zonder enige regelmaat
  • afwisselend om de beurt links en rechts van de twijg
  • spiraalsgewijs min of meer in een spiraal rondom de twijg

Bladknop  Bevat alleen bladeren.
Bloemknop Bevat alleen bloemen.
Eindknop Bevindt zich aan het uiteinde van de twijg.
Zijknop knop die zich in de oksel van bladsteel en twijg bevindt. Kan dus ook in de oksel van litteken en twijg staan.
De zijknop kan zijn:

  • aanliggend voor meer dan de helft van de knoplengte tegen de twijg aangedrukt
  • afstaand voor minder dan de helft tegen de twijg aangedrukt

Knopschubben: Buitenste, vergroeide bladeren van de knop.
Knoppen kunnen zijn:

  • bedekt- knop met knopschubben
  • onbedekt of naakt - knop zonder knopschubben
  • niet aaneensluitende knopschubben bedekken de knop niet geheel en al
  • behaard - knopschubben voorzien van haren
  • gewimperd - knopschubben langs de rand behaard

Knopstoel  

knopstoel

 De knoppen zitten verborgen. Aan iedere kant van de knop een stevige doorn.
Kurkweefsel Weefsel met celwanden van kurkstof. Bevindt zich bij houtige gewassen aan de buitenkant  van stam en takken
Kurklijsten (Ook wel kurkvleugels) Verdikkingen in de kurklaag, die zeer onregelmatig kunnen zijn. Deze lopen in de lengterichting van de twijgen.
Lenticellen  Kurk poriën; het zijn groepjes losse cellen waardoorheen gaswisseling plaatsvindt.
Merg Los weefsel in de kern van meestal jonge takken en twijgen. De kleur kan zijn wit, geel, of geelrood.
Mergstralen Als streepjes waarneembare verbinding tussen het merg en de daaromheen gelegen delen.
Geladderd merg Merg bestaande uit een aantal dwarse schotjes.
Twijg Een stengeldeel, dat niet ouder dan een of twee jaar is. Het kan een hoofdtwijg zijn of een zijtwijg, kaal of behaard.