Cypergrassen, Zeggen (Carex), Waterbiezen

De cypergrassen onderscheiden zich van de grassen door de driekantige stengels die meestal gevuld zijn. Het vruchtbeginsel en de stijl zijn omgeven door een schutblad,  het urntje.

Zeggen (Carex)

De bladeren zijn meestal grasachtig met een middennerf. De bladeren zitten aan de basis en in drie rijen aan de stengels, maar bij enkele soorten zijn alle bladeren ingeplant aan de basis.
De stengel is meest driekantig (op dwarse doorsnede) of zelden rond. Bij de meeste soorten zijn de enige bovengrondse stengels de bloeistengels. Bij vegetatieve spruiten bestaat het bovengrondse deel voornamelijk uit de elkaar overlappende bladscheden, slecht zelden is er een echte stengel met knopen.
Bij de overgang van bladschede naar bladschijf is er een ligula. De bladschijf is in dwarse doorsnede vlak (en heeft dan een middennerf), V-vormig of M-vormig. Zelden is de bladschijf lijnvormig, ingerold of rond, maar meestal smaller dan 20 mm breed.
De bloemen zijn eenslachtig

Snelle determinatie (Erik Simons)

Beharing bladschijf/schede? Ruige zegge of Bleke zegge
(en Viltzegge maar zzz)
Huidmondjes aan beide zijden van blad? Drienervige zegge
enkele hybriden bv van zwarte zegge
Huidmondjes aan bovenkant van blad?

Zwarte zegge
Zompzegge
Snavelzegge
Noordse zegge

Beharing urntjes:
Urntjes behaard, blad kaal:
Draadzegge, Pilzegge, Voorjaarszegge
Urntjes kaal, blad behaard: Bleke zegge
Urntjes en blad behaard: Ruige zegge en Viltzegge (zzz)

Cypergras: Grasachtige bladeren die in drie rijen boven elkaar staan ingeplant; De bloeiwijze is parapluvormig met lange schutbladeren en kleine bloemen.

Carex (Zeggen)

 

Punt bladschijf

Huidmondjes

Vouwen bladschijf bij indrogen

Schutblad onderste mannelijke aar

Aantal vrouwelijke aren

Zwarte zegge (Carex nigra)

driekantig

bovenkant bladschijf

naar bovenkant blad

meestal korter dan bloeiwijze

1-2 (uitlopend naar 3)

 Scherpe zegge

niet driekantig

onderkant bladschijf

naar onderkant blad

altijd veel langer dan de bloeiwijze

2-4 (uitlopend naar 6)

Kenmerk

Moeraszegge (Carex acutiformis )

Oeverzegge(Carex riparia )

Scherpe zegge (Carex acuta)

Breedte luchtholten tussen de nerven bij het tongetje  zgn baksteentjes

200-300 mu. Veel minder en dunnere dwarsnerfjes dan bij Carex riparia
Baksteentjes met dunne dwarsnerven

300-400 mu met opvallend veel dikwandige dwarsnerfjes Baksteentjes  met dikke dwarsnerven

40-500 mu

Geen opvallende baksteentjes

Tongetje bovenste stengelblad

(Smal) driehoekig tot spitsboog-vormig
Lengte veelal  9-17 mm

Breed boogvormig, (je kunt er een duim in leggen)
Lengte veelal 3-7 mm

Lang driehoekig, ook afgerond
Lengte 4-8 mm

Breedte breedste blad steriel spruit

10-21 mm

13-24 mm

5-11 mm

Bladkleur

Bovenzijde: donkergrasgroen
Onderzijde: grijs-of blauwgroen

Blauwachtige groen beide zijden

Donker grasgroen beide zijden

Onderste bladschede

Sterk rafelend, lichtbruin tot roodbruin

Niet-rafelend, lichtbruin

Niet-rafelend, lichtbruin

Breedte breedste blad bloeistengel

6-10 mm (soms enkele mm naar boven of naar beneden)

10-18 mm

5-11 mm (kan soms oplopen tot 12,5 mm

Aantal mannelijke aartjes

3-6

1-4

2-4

Aantal stempels

3

3

2

Lengte urntje

3-5 mm

5-8 mm

2-3.5 mm

 

Blaaszegge

De stengels zijn scherp driekantig, ruw en ongeveer 2 mm dik. De onderste scheden zijn vaak rood en gaan rafelen, compleet driekantig, plat blad, de urntjes zijn sterk opgeblazen

Bleke zegge

De 2-4 mm brede bladeren zijn behaard, vooral ook op de scheden. De aren zijn licht, beetje bleekgroen.

Blonde zegge

 

Een mannelijke topaar die 2-3 mm breed is (soms is er een tweede, kleinere mannelijke aar aan de voet) en meestal twee of drie vrij ver uit elkaar staande, rechtopstaande vrouwelijke aren die 5-7 mm breed zijn en ongeveer 10 mm lang. Vrouwelijke bloemen hebben drie stempels. De schutbladen zijn veel korter dan de bloeiwijze. Ze hebben een nauwe, tot vier cm lange schede. De kafjes zijn ongeveer 3 mm lang en hebben een vliezige rand. Ze zijn roodbruin (in het midden zijn ze lichter, maar meestal niet groen).

Dwergzegge

vrijwel niet gesteelde mannelijke topaar, vaak vele stomp driekantige stengels, die meestal korter zijn dan de bladen, vormt dichte polletjes, bladeren gootvormig 1-2 mm breed. Schede van het onderste schutblad zonder aanhangsel

Geelgroene zegge

Schede van het onderste schutblad aan de voorzijde met een kort, vliezig aanhangsel. Zijdelingse stengels opstijgend. Bladen vlak of iets gootvormig 2-5 mm breed. Mannelijke aar meestal duidelijk gesteeld.

Hoge cyperzegge

meestal schuin omhoog staande stengels, scherp driekantig en tot 3 mm dik. Glanzig lichtgroen en later worden ze goudgroen. De bloeiwijze lijkt op een waaier. Een mannelijke topaar en drie of meer vrouwelijke aren op draaddunne stelen staan op vrij kleine afstand van elkaar, maar de onderste kan verder verwijderd staan.

Moeraszegge

Onderste scheden hebben rode aanzet en rafelen. Stengels scherp 3-kantig en ruw. bladeren zijn van boven glanzig donkergroen en van onderen blauwgrijs. Drie stijlen

Oeverzegge

Zeer scherp 3-kantige stengel en naar boven toe ruw. De onderste scheden van de halmen en de scheuten zijn lichtbruin en vaak dikwijls iets roodachtig. Ze rafelen niet of maar weinig. In de bladschede en op de bladschijf zie je regelmatige dwarsverbindingen tussen de nerven. De blauwgrijze bladeren zijn 1 tot 2 cm breed, staan stijf omhoog of hangen iets over. Drie stijlen. Onderste aar overhangend

Pilzegge

ruikt bij kneuzing naar hars. Bloemen groeien in een compacte bloeiwijze met 1 mannelijke topaar en 2 of 3 kortere, eivormige tot bolronde, dicht bijeen zittende, rechtopstaande en niet gesteelde vrouwelijke aren die tot 7 mm lang worden en tot 5 mm breed. Ze hebben 3 stempels. De schutbladen hebben geen schede en staan tenslotte schuin tot recht af.

Ruige zegge

heeft overal zeer sterke beharing, in de vrouwelijke bloemen 3 stempels

Scherpe zegge

Heeft wit vlies onderaan de stengel dat er niet af te trekken is. stengels zijn scherp driekantig en zo'n 3 mm dik. De randen zijn ruw en als je erover wrijft kun je je vingers snel openhalen. Het schutblad van de de bloeiwijze is wat langer dan de totale lengte van de bloeiwijze.

Snavelzegge

gootvormig blad, stomp driekantig aan onderkant, tamelijk dikke vrouwelijke aren. Lange, kruipende, vertakte wortelstokken met uitlopers. De rechtopstaande stengels zijn stomp driekantig, glad en alleen in de bloeiwijze iets ruw. Ze zijn ongeveer 2 mm dik. De onderste scheden zijn rozeachtig, maar later worden ze paarsbruin. Ze zijn dik, wat sponsachtig en gaan tenslotte rafelen. De gootvormige, smalle en kale bladen zijn 2-5 mm breed. Van boven zijn ze blauwgrijs en van onderen glanzend donkergroen. Ze hebben dwarsverbindingen tussen de nerven  en een lange driekantige top.  Het tongetje is stomp. De langste bladeren steken vaak ver boven de bloeiwijze uit. De urntjes zijn 3-5 mm. Ze zijn eivormig, geelgroen, maar worden later lichtbruin. Ze staan bijna recht af en zijn toegespitst in de dunne, ondiep gespleten, 1-1½ mm lange snavel.

Stijve zegge

groeit in horsten, smal blad, lichtgroen, twee verschillende soorten aren. Drie stijlen.

Waterbiezen

Mattenbies

Meestal ronde en gladde stengels, groener dan ruwe bies met harde, brosse wortelstok. In het onderste deel zitten minstens 2 bladeren. 3 stempels vs Ruwe bies die twee stempels heeft. Met veel rode puntjes op de kafjes is ruwe bies; met weinig tot niet > mattenbies. Mattenbies heeft een soort bult op het nootje, waardoor dat dus niet symmetrisch is.

Ruwe bies

blauwgroene tot grijsgroene, meestal rolronde stengels en zachte, taaie wortelstok. 2 stempels vs Mattenbies die drie stempels heeft. Met veel rode puntjes op de kafjes is ruwe bies; met weinig tot niet > mattenbies

Waterbies, veelstengelig

Vormt dichte pollen

Waterbies, gewone

groeit in zoden, onderste kelkblaadjes staan altijd netjes tegenover elkaar, overlappende kelkbladen, donkergroen, geladderd.

schema-cyperaceae