Aantekeningen

A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | W | X | Y | Z

B

Basterdwederiken

Beklierde en bleke hebben druppeltjes op stengel en blad
Bergbasterdwederik: 4-lobbige stempel
Donkergroene: stengel makkelijk samendrukbaar
Kantige harde steel, geen klieren
Harige en Viltige dik behaard aan onder-, en bovenzijde blad, grover en breder blad.

1a

Bovenste deel met (zeer) lange afstaande haren:

 

Kroonbladeren 10-16 mm lang

Harig wilgenroosje

Kroonbladeren  4-9 mm lang

Viltige basterdwederik

1b

Stengel kaal of met aanliggende gewone haren of afstaande klierharen>                        

2

2a

Stengel met afstaande klierharen en aanliggende kromme gewone haren:

 

Zaden met doorschijnend aanhangsel, 2-5 mm versmalde bladsteel

Beklierde basterdwederik

Zaden zonder aanhangsel, 5-10 mm lange bladsteel

Bleke basterdwederik

2b

Stengel zonder klierharen                     

3

3a

De 4 stempellobben staan uit               

Bergbasterdwederik

3b

De stempel is knotsvormig                   

4

4a

Wortelstok met uitlopers, stengel makkelijk samendrukbaar bladeren donkergroen

Donkergroene basterdwederik

4b

Wortelstok met zeer korte uitlopers, stengel hard, Bladeren licht tot donkergroen

Kantige basterdwederik

Biggenkruid  (Gewoon)    altijd behaard, geen blad op stengel, vertakte stengels uit rozet met grover breed gelobd blad, kleine schubjes op tak, (sterke) wittige beharing, omwindselblad ongelijk van lengte. ( Nb: bij Klein leeuwentand omwindselblad gelijk van lengte en haren gegaffeld!) Wortel melkend.

Bijvoet
Bijvoet

Bijvoet De vrijwel kale bladen zijn van boven donkergroen en van onderen witviltig. Ze zijn één- tot tweevoudig veerdelig met lancetvormige, voor het grootste deel gaafrandige bladslippen van meestal ongeveer 0,5 cm breed (zelden tot 0,8 cm). De randen van de vrij lange bladslippen verlopen vanaf de voet eerst ongeveer evenwijdig en lopen dan uit in een spitse top. De bovenste bladen zijn geoord en min of meer stengelomvattend, de onderste bladslippen staan als oortjes ongeveer aan beide kanten van de stengel.

Bitterzoet        groene vruchten, rode bessen, nachtschade

Boerenwormkruid       alleen buisbloemen

Boterbloemen

Knolboterbloem, teruggeslagen kelkblad, eerstbloeiend in het seizoen, duidelijke knol

Brandnetel

Grote   heeft wortelstokken en puntig blad
Kleine heeft ronder blad en is makkelijk uit te trekken (pionier)
Brunel  klein, paars-blauw kruipertje. Bloem in vorm van bijenkorfje.

C

Composieten

Omwindselbladeren om bloembladeren bij elkaar te houden
Stroschubben = midden in de bloem vliezige, stro-achtige blaadjes (biggekruid en valse kamille)
Vaak vruchtpluis , bv gele morgenster
NB:      akkerkool heeft juist GEEN pluis > droge vruchtjes.
Korenbloem ook niet: heeft uitgegroeide buisbloemen, GEEN straalbloemen
Minder vaak wortelstokken, meestal geen lange wortelstokken
NBakkerdistel WEL
Vaak een rozet
Vaak een samengestelde bloem: buisbloemen en lintbloemen

D

Dagkoekoeksbloem Kroonbladen roze-rood, zelden wit. Tanden van de doosvrucht sterk teruggekromd in tegenstelling tot de Avondkoekoeksbloem: kroonbladen wit, tanden van de doosvrucht schuin afstaand. De Avondkoekoeksbloem is in alle delen groter.

Dagkoekoeksbloem-doosvrucht
Dagkoekoeksbloem: tanden van de doosvrucht sterk teruggekromd
Avondkoekoeksbloem-doosvrucht
Avondkoekoeksbloem: tanden van de doosvrucht schuin afstaand, recht.

Distels

Akkerdistel      wortelstokken, kleinere bloem, kale stengel. Kun je vastpakken
Speerdistel      niet overblijvende 2-jarige plant, scherpe, gele punten aan de bladeren, grote bloemen
Kale jonker      grote rozet, arm gebied, rodige gloed (rode rand aan bladeren), dun bebladerde steel, groeit met één stengel uit rozet. Vegetatieve rozetten hebben niet de rode kleur
Kruldistel gekruld blad, brede struik
Akkermelkdistel klierharen op stengel, omwindsel bladeren met weinig tot vele geelachtige klierharen, stengelbladen met afgeronde tegen de stengel aangedrukte oortjes, kleinere plant, wortelstok,
Gewone melkdistel       lichtere kleur blad, zachter en dof- of grijsgroen, vaak paars aangelopen blad, geen klierharen, weinig en ongevleugelde afgeplatte nootjes.
Gekroesde melkdistel stekelig getand blad, prikkend, geen klierharen, hard en sterk glanzend blad, boven donkergroen.
Moerasmelkdistel omwindselblad met talrijke zwarte klierharen. Stengel met tussenschotten. Bladen met iets afstaande oortjes aan de voet.

Dotterbloem groeit aan de waterkant, niet IN het water.

Droogbloemen

Bosdroogbloemen: De bloemen vormen een smalle samengetrokken pluim met korte trossen bloemhoofdjes in de bladoksels en aan de stengeltop. De bloemhoofdjes zijn langwerpig en geelachtig wit.
Moerasdroogbloemen: De geelwitte bloemhoofdjes zijn 3 tot 4 mm lang en zitten met 3 tot 10 bij elkaar in dichte kluwens bovenaan de stengels.
Bleekgele nieuwe soort. Komt veel in de stad voor.  De bloemen zitten aan de top van de hoofd- en zijstengels, in afgeronde kluwens zonder bladeren aan de voet. De bloemen zijn oranje of roodachtig geel. Ze hebben geen lintbloemen. Het omwindsel is geelwit, kaal en glanzend.

Dubbelkelk (vgl. Echt bitterkruid) Er zijn alleen lintbloemen. De buitenste drie tot vijf  omwindselbladen zijn breed driehoekig-eirond, hebben een iets hartvormige voet en komen met de zijranden tegen elkaar. De hierbinnen staande omwindselbladen zijn lijnvormig met een borstelig behaarde rand. De stengels zijn stekelig behaard, vaak over een groot deel vertakt en zigzagsgewijs heen en weer gebogen. De langwerpig omgekeerd-eironde bladeren zijn naar beide kanten geleidelijk versmald. Ze hebben een spitse driehoekige top en een verwijderd getande rand. Soms zijn ze veel dieper gespleten. De onderste bladeren hebben een steelachtig versmalde voet. De hogere bladeren hebben een stengelomvattende voet. Een deel van de stekelharen staat op witachtige, van onderen holle bultjes.

Duizendknoopfamilie

Zuring (6 bloemdekbladeren)
Meestal 5 bloemdekbladeren: Kielduizendknoop
Ongevleugelde bloemdekbladeren
Liggende planten – varkensgras
Opstijgende of drijvende plant – duizendknoop

Duizendknopen

Beklierde perzikkruid tuitjes zonder lange haren aan de bovenkant
Heggenduizendknoop  met grote vliezige vleugels – grote klimmer
Invasieve duizendknopen:
1.Boheemse duizenknoop recht tot zwak hartvormige bladvoet, korte, stijve, driehoekige haren op blad.
2.Japanse heeft rechtebladvoet, schubvormig behaard blad
3.Sachalinse heeft hartvormige bladvoet, lange buigzame haren op blad
Kleine duizendknoop bladeren bij voet plotseling versmald
Perzikkruid tuitje loopt uit in lange, spitse haren, bloemen blijven vaak in dichte proppen/bolletjes, begint met smal blad aan de steel in tegenstelling tot Veenwortel: brede bladaanzet. Grovere, grotere bloem dan Waterpeper.
Waterpeper Aren langgerekt en los, vaak groeiend op vochtige, kale bodem. Tuitje aan de buitenkant kaal, rand lang bewimperd.
Zachte duizendknoop haren op buitenkant tuitje, bladeren aan voet geleidelijk versmald
Zwaluwtong    is veel kleiner dan heggeduizendknoop, en heeft geen vleugels

Duizend guldenkruidDuizendguldenkruid (Echt duizendguldenkruid)

De blaadjes vormen eerst een wortelrozet. Ze zijn elliptisch tot omgekeerd eirond, meestal stomp, hebben drie tot zeven nerven en zijn meer dan 5 mm breed. De stengelbladen zijn eirond tot spatelvormig met drie tot vijf nerven. De roze bloemen vormen samen een losse schermachtige bloeiwijze. Ze zijn 0,9-1½ mm, zelden gesteeld en vijfspletig. Ze hebben een 0,9-1½ cm lange buis en eironde, stompe, 5-8 mm lange slippen. 

Duits viltkruid  grijswit viltig behaard. De rechtopstaande of iets afstaande stengels zijn onderaan meestal niet vertakt. Onderscheid zich van Dwergviltkruid door de bloemknop in het midden van de vertakking.
Dwergviltkruid grijs, viltig plantje op schrale bodem. Geen knoop in het midden

E

Echt bitterkruid  (vgl Dubbelkelk) De buitenste bloemen vertonen aan de onderkant soms rode strepen. De omwindselbladen zijn langwerpig en allemaal ongeveer even breed. De buitenste staan boogvormig af. Ze zijn bedekt met zwarte haren. De donkergroene stengels zijn ruw behaard en voornamelijk of alleen in de bovenste helft vertakt. De bladeren vormen eerst een rozet. Ze zijn langwerpig en zwak tot vrij diep getand. De onderste bladeren zijn in een korte steel versmald, de bovenste zijn klein en omvatten de stengel (zonder steel).

Ereprijzen

1. Bloemen niet in trossen 

Bloeiwijze niet of nauwelijks afgescheiden van de rest van de plant; bloemen alleenstaand (of soms met 2 bijeen)

Klimopereprijs Kelkslippen hartvormig. Bladen rondachtig of iets niervormig met grote middenlob, lijkend op klimopblad. Bloemkroon lichtblauw of lila
Handjesereprijs (RL) Kelkslippen aan de voet niet of nauwelijks hartvormig, elkaar in de vruchttijd niet of nauwelijks opzij duwend; middelste en bovenste stengelbladen handvormig 3-7 spletig of geveerd. Onderste schutbladen 3-delig
Kleine ereprijs (RL) middelste en bovenste stengelbladen veerdelig; onderste schutbladen veerdeling. Bloemkroon 2-3 mm breed
Draadereprijs Plant overblijvend. Op de meeste knopen wortelend. Bladen rond-niervormig; bloemkroon 8-15 mm breed; 
Grote ereprijs Plant 1-jarig, niet of op enkele knopen wortelend. Bladen eirond, meer dan 1 cm lang ca diep getand
  Plant kaal of naar boven met kleine zittende klieren; Bladen gaafrandig of zwak gekarteld.
Tijmereprijs Stengel kruipend, aan de top opstijgend. Bladen cirkelrond tot elliptisch. Bloemkroon blauwachtig wit, blauw geaderd.
Vreemde ereprijs Plant 1-jarig. stengel rechtopstaand; bladen langwerpig tot omgekeerd eirond; bloemkroon lichtblauw of witachtig
  Plant behaard, bovenaan ook met klierharen; bladen gekarteld
Veldereprijs Vruchtstelen rechtopstaand; schutbladen veel langer dan de vruchtstelen, vruchtstelen duidelijk korter dan de vrucht. Kelk na de bloei duidelijk vergroot tot 7 mm lang. Bloemkroon 2-3 mm breed; doosvrucht omgekeerd hartvormig
Vroege ereprijs (RL) Schutbladen korter dan of ca even lang als de vruchtstelen; vruchtstelen weinig langer dan de vruchtkelk. Doosvrucht langer dan breed tot hoogstens 1/8 ingesneden
  Vruchtstelen (terug)gebogen
Akkerereprijs Vrucht alleen met ca even lange klierharen bezet. Bloemkroon 5-8 mm breed, witachtig, blauw geaderd, de bovenste slip blauw, soms roze, zelden de kroon geheel wit. Kelkslippen eirond tot langwerpig stomp, zwak behaard
  Vrucht met zeer korte gewone haren en lange klierharen. Bloemkroon blauw, de onderste slip soms lichter van kleur
Gladde ereprijs Kelkslippen breed eirond, spits tot toegespitst, onder de vrucht elkaar met de randen bedekkend, zwak behaard.
Doffe ereprijs Kelkslippen langwerpig-spatelvormig, stomp, onder de vrucht elkaar niet met de randen bedekkend, vooral aan de voet sterk behaard

2. Bloemen in eind- of okselstandige trossen,
deze duidelijk afgescheiden van de rest van de plant; alle bloemen aan de voet met kleine schutbladen die sterk van de gewone bladen verschillen

Lange ereprijs Trossen eindelings, lang en dichtbloemig
  Trossen in de oksels van de bovenste bladen. Kroonbuis veel korter dan 2 mm, breder dan hoog
  Stengel en bladen kaal, zelden behaard en dan de bladen lijn-tot lancetvormig
Schildereprijs Trossen meestal alleen in de oksel van 1 blad van een bladpaar. Doosvrucht vlak afgeplat, iets breder dan lang, aan de top ingesneden, aan de voet afgerond. Bladen lijn- tot lancetvormig, spits, zittend, iets gezaagd tot gaafrandig.
Beekpunge Bladen alle kort gesteeld, rondachtig tot langwerpig, stomp, gekarteld-gezaagd tot ca gaafrandig. stengel ca rolrond. Bloemkroon hemelsblauw, soms roze. Doosvrucht bolvormig, nauwelijks ingesneden
Blauwe waterereprijs Bladen zittend, half stengelomvattend, langwerpig tot lancetvormig, soms breder, spits, fijn gezaagd tot gaafrandig. Bloemkroon lila tot blauw met paarse lijntjes in de keel. Bloemstelen na de bloei een scherpe hoek met de as van de bloeiwijze makend.
Rode waterereprijs Bloemkroon lichtroze met donkerroze aderen, bloemstelen na de bloei een vrijwel recht hoek met de as van de bloeiwijze makend.
  Stengel en bladen behaard, bladen rondachtig tot langwerpig
Brede ereprijs (RL) Kelk meestal 5-slippig (verscheidene kelken onderzoeken!) de 5e slip vaak veel korter dan de andere, zelden ontbrekend. Stengels rechtopstaand of opstijgend. Bladen eirond tot langwerpig met hartvormige of afgeronde voet, diep gekarteld-gezaagd. Kelk en vrucht meestal behaard.
Liggende ereprijs (RL) Stengels liggend, alleen aan de top opstijgend. bladen langwerpig tot lijnvormig, met meestal afgeronde tot wigvormige voet en naar achteren omgerolde rand.
  Kelk altijd 4-slippig
Bosereprijs Trossen ijl, armbloemig. Doosvrucht elliptisch tot niervormig, breder dan lang, opvallend sterk afgeplat. 
Gewone ereprijs Trossen dicht en/of veelbloemig stengel rechtopstand of opstijgend met 2 rijen haren, zelden rondom behaard maar dan toch met 2 dichter behaarde lijnen. Bloemkroon hemelsblauw, donkerder geaderd, aan de keel wit.
Mannetjesereprijs Stengel kruipend, aan de top opstijgend, rondom gelijkmatig behaard. Bloemkroon lichtblauw, donkerder geaderd, zelden donkerblauw. 6-8 mm breed. Bladen elliptisch of omgekeerd eirond, ondiep gekarteld-gezaagd.

Es, gewone      zwarte knoppen, tegenoverstaand blad

F

Fijnstralen

Canadese fijnstraal bloem kleiner, omwindselblad glad, uitstaand behaard blad
Hoge fijnstraal harig omwindselblad, bladen aanliggend behaard, bloemen groter, bloeit later. Hele plant heeft grover uiterlijk. Driehoekige pluim. Omwindselbladeren blijven na de bloei rechtop.
Zomerfijnstraal heeft uiterlijk van asterachtige

G

Ganzevoeten

Korrelganzenvoet rodere steel en blad, beetje korrelige bloem
Melganzenvoet witmelig, heel veel kleine zaadjes, breed blad met verschillende bladvormen
Stippelganzenvoet brede punten aan bladvoet, dan in speervorm naar de top

 

Gele ganzenbloem geel, lijkt qua vorm op een margriet

bloeiwijze-ganzevoet
bloeiwijze-ganzevoet

Gele kersen – Rorippa

Akkerkers – Bladen met smalle, tamelijk kleine eindslip. Bladen veerdeling, niet geoord. Vrucht 2-3 x zo lang als steel, afstaand. kelk en kroonbladen ong even lang.
Gele waterkers – Bladen zonder oortjes aan de voet, middelste en bov enste bladen bochtig getand of gezaagd. Vruchtstelen afstaand tot teruggeslagen, vrucht veel korter dan de steel. Kroonbladen dubbel zo lang als de kelk.
Moeraskers
– kroonbladen ong even lang als de kelkbladen. Penwortel zonder uitlopers. Bladen veerspletig of delig met grote, brede eindslip.
Oostenrijkse kers
– Bovenste bladen aan de voet met half stengelomvattende oortjes. Bladen getand, niet gelobd. Vruchtstelen meestal iets omhoog gericht.
Valse akkerkers – De bladeren zijn gelobd en 2 tot 3 keer zo lang als breed. De gele bloemen worden 3½ tot 4½ mm groot. De hauwtjes zijn 3½ tot 4 mm lang en ongeveer 1 mm breed en met een stijl van 0,7 tot 1,3 mm lengte. De vruchtstelen zijn niet teruggeslagen

 

Groot moerasscherm
Groot moerasscherm

Groot moerasscherm 

De zittende of kort gesteelde bloemen groeien in drie  tot vijftien  stralen en staan tegenover de bladeren. Meestal is er geen omwindsel. De kleine kroonbladen zijn spits en wit of groenwit.

Groot hoefblad heeft alleen buisbloemen

Grote egelskop De meestal rechtopstaande bladen zijn 0,6-3 cm breed. Ze zijn bandvormig, driekantig, scherp gekield met een vleugelrandje. Soms drijven de bladen. Voet van de stengel voelt aan als spons.

Grote-pimpernel
Grote pimpernel

De 1-3 cm grote bloemhoofdjes zijn eivormig. De bloemdekbladen zijn donkerrood. Elke bloem heeft vier  meeldraden, die even lang zijn als de roodbruine kelk. De stijl is vrij lang en de stempel bolvormig en kort behaard. Er zijn geen kroonbladen. De gesteelde en geveerde bladeren vormen eerst een rozet. De onderste bladeren met  zeven  tot vijftien  deelblaadjes. Deze worden 2-4 cm en zijn eivormig. De bovenste blaadjes zijn 2-7 cm. De blaadjes hebben aan beide kanten ongeveer twaalf  tanden en van onderen zijn ze grijsgroen.

 

Grote wederik 3-bladig, in kransen staand verspringend blad

 

H

Havikskruiden

Groep 1: duidelijke bladrozet met vrijwel gave bladeren. Vanuit de bladrozet worden lange uitlopers over de grond gemaakt. Lange haren op de bladeren:
Muizenoor Rozet met bloem, met één lichtgeel bloemhoofdje per rozet, sterk behaard blad, ongegaffelde beharing
Oranje havikskruid Rozet met bloem, met meerdere oranje bloemhoofdjes bij elkaar op de stengel, veel blad langs de stengel
Groep 2: hoger opschietende havikskruiden
Boshavikskruid Rozet met bloem, breed getand blad, de stengelbladeren zitten in het midden van de stengel dicht opeen. omwindselbladen stomp met talrijke lange klierharen. Halveer een bloemhoofdje en trek vanaf de bovenkant de lintbloemen van de bloembodem af. Blijven er lange haren achter? Dan is het boshavikskruid.
Dicht havikskruid heeft als enige nog een bladrozet als de plant bloeit. Aan de stengel zitten nog grof getande bladeren. Niet stengelomvattend.
Schermhavikskruid      Rozet met bloem, heeft als enige afstaande of teruggeslagen omwindselbladeren. Smalle en zeer langwerpige bladeren, bloemen in soort scherm.
Stijf havikskruid Rozet met bloem, lange stengel. Halveer een bloemhoofdje en trek vanaf de bovenkant de lintbloemen van de bloembodem af. Blijven er geen of korte haren achter? Dan is het stijf havikskruid. Deze soort is de meest algemene soort van de grote havikskruiden. Bladen gaafrandig tot grof getand.

Hazenpootje De rechtopstaande of soms bijna liggende stengels zijn meestal gevuld, sterk vertakt en dicht grijsviltig behaard. De onderste blaadjes zijn gesteeld, maar de bovenste niet. Voor de bloei zijn ze matig behaard en sterk wijnrood aangelopen. De bladen hebben omgekeerd hartvormige deelblaadjes. Tijdens de bloei worden de bladeren dicht grijsviltig. De iets cilindervormige bloeiwijze staat op lange stelen in de bladoksels en aan de top van de stengels. De bloemen zijn wit tot roze en ongeveer 4 mm lang. Ze zijn veel korter dan de kelk en gaan voor een groot deel schuil onder de dichte beharing van de naaldvormige kelktanden. 

Hoornbloemen

Hoornbloem- en muursoorten behoren tot de anjerfamilie. Bloemen van de hoornbloemsoorten hebben 5 stijlen, bloemen van de muursoorten hebben 3 stijlen. Uitzondering = watermuur; die heeft 5 stijlen.

1. Kroonbladen 2 x zo lang als kelkbladen 2
  Kroonbladen hoogstens iets langer dan de kelkbladen 3
2 A. Plant niet wiltviltig, kaal of met rechte haren. Bloemsteel met klierharen Akkerhoornbloem
  B. Plant witviltig met gekronkelde haren, bloemsteel zonder klierharen Viltige hoornbloem
3 1-jarig, met klierharen 4
  overblijvend zonder klierharen, kroonbladen korter dan de kelkbladen  
  A. Alle stengeldelen rondom behaard, bladen beide zijden behaard, alle kelkbladen spitse haren, bladranden lang behaard, kelkbladen soms klierharen Gewone hoornbloemen
  B. Bladen kaal of spaarzaam behaard, onderste stengelleden kaal of met bijna alle haren in 1 rij. Kelkbladen kaal of behaard de haren deels spits, deels stomp Glanzige hoornbloem
4 Haren aan de top van de kelkbladen niet buiten de rand ervan uitstekend 6
  Haren aan de top de kelkbladen buiten de rand uitstekend, nagel van de kroonbladeren gewimperd 5
5 A. bladen rondachtig-eirond, geelgroen Kluwenhoornbloem
  B. bladen langwerpig grijsgroen Kalkhoornbloem
6 Tenminste bovenste schutbladen met vliezige rand 8
  Alle schutbladen zonder vliezige rand 7
7 Bloemen 5-tallig, bloeiwijze symmetrisch, vruchtstelen deels afstaand, soms teruggeslagen. 10
  Bloemen deels 4-, deels 5-tallig. De tegenover elkaar staande takken van de bloeiwijze ongelijk van lengte. Stengel vaak donker paars aangelopen, bladen lancetvormig tot spatelvormig. Scheve hoornbloem
8 Vliezige rand van de schutbladen van de op 1 na onderste vertakking minder dan 1/4 van de totale lengte van het schutblad innemend. WAT BETEKENT DIT????? 9
  Kroonbladen meestal onregelmatig getand of aan de top tot hoogstens 1/5 van hun lengte ingesneden. Vruchtstelen vaak teruggeslagen, bladen eirond of langwerpig-eirond, meestal stomp Zandhoornbloem
9 Kelkbladen klierharig of met enkele klierloze haren aan de top. Bladranden kort behaard 10
10 Kroonbladen langer dan de kelkbladen, plant donkergroen, vaak sterk rood aangelopen, klierharen in de bloeiwijze Steenhoornbloem
  Kroonbladen korter dan de kelkbladen. Plant bleekgroen, klierharen in de bloeiwijze Bleke hoornbloem. zzz

 

Hertshoornweegbree Blaadjes zijn smal en lang en doen denken aan de hertshoorn die als kamerplant wordt gehouden.

K

Kamille

Echte kamille heeft witte lintbloemen, ruikt sterk, buisbloemen staan in echt bolletje, bloembodem is hol.
Reukeloze heeft grote witte lintbloemen en ruikt minder, buisbloemen beetje plat, bloembodem gevuld.
Schijfkamille  geen lintbloemen

Klaprozen

Ruige  stekels op langwerpig zaaddoosje, kleine bloemen, haren tegen de stengel aan.
Bleke   haren tegen de stengel aan, langwerpige zaaddoos.
Grote   haren afstaand van stengel. Bollere, kortere doosvrucht als papaver.

Klaver

Hopklaver       vierkante stengel, puntje aan blad, compacte bloem
Kleine klaver    ronde stengel, geen puntje aan blad, losse bloem
Rode:                    steunbladeren zijn behaard en gevlekt, groeit in pollen
Witte (repens) kruipend –

Klein vogelpootje        Arme, droge berm. Vruchtje heeft vorm van een kippenpoot.
Knopig helmkruid        vierkante stengel, kruislings tegenoverstaand blad

Koolzaad

Kleine bergsteentijm De bloemen groeien in kransen in een ijl bebladerde aar. De rechtopstaande, behaarde stengels zijn vaak vertakt. De grijsgroene bladeren zijn 1-2 cm, eirond, zwak getand met twee  tot vijf  paar ondiepe tanden of ze zijn vrijwel niet getand. Verder zijn ze gesteeld en buigen de zijnerven van het blad af voor de bladrand.

KromhalsDe stengels zijn stekelig behaard. Niet vertakte planten staan stijf rechtop. Grotere planten hebben vaak bochtige, opstijgende en vertakte stengels. De bladeren zijn langwerpig tot iets lijnvormig, gegolfd, gekroesd en onregelmatig getand. De onderste bladeren zijn gesteeld. De bovenste zijn zittend en halfstengelomvattend. De bladeren zijn 10-15 cm. De schutbladen zien er net zo uit als de gewone bladeren. De 0,4 tot 1 cm grote bloemen zijn helderblauw met een witte buis en keelschubben. De kroonbuis maakt een S-bocht. De meeldraden zijn ingeplant in deze bocht, waardoor ze op ongelijke hoogte staan. De kelk is diep gedeeld.

Kruiskruiden

Klein    alleen buisbloemen
Kleverig plakt
Bos      kleine bloemen, wel straalbloemen
Bezem heeft smal, lancetvormig blad
Jakobs rozet als van boerenkool Jakobskruiskruid heeft geen uitlopers. Worteldiepte tot 20 cm. De rechtopstaande stengels zijn soms groen of soms roodpaars. Ze zijn alleen boven het midden vertakt. Eerst zijn ze iets spinragachtig behaard, maar later verdwijnt de beharing. Tijdens de bloei zijn de onderste bladeren meestal al verdord. De bovenste bladeren zijn tot dubbel veerdelig. De eindslip is klein. Deze bladeren zijn half-stengelomvattend.

 

L

Leeuwetand           

geen blad op stengel; Scherp ingesneden blad (als leeuwentanden). Komt voor met vertakte én enkele bloem
Kleine behaard en aan eind van het blad gespleten haareinde (gegaffeld). Omwindselblad is gelijk van lengte, in tegenstelling tot Biggenkruid
Vertakte heeft kaal blad

Lipbloemigen

Plant vierkante stengel en recht tegenoverstaand blad? Altijd lipbloemige

  • Kruiden of struiken, vaak aromatisch
  • Stengel meestal vierkantig
  • Bladen kruisgewijs tegenoverstaand, zonder steunblaadjes
  • Bloemen 2-zijdig symmetrisch
  • Kelk 5-10-tandig of 2-lippig
  • Kroon 2-lippig met 2-tallige boven- en 3- tallige onderlip
  • Meeldraden 4, 2 langere en 2 kortere, of 2
  • Vruchtbeginsel bovenstandig, diep 4-delig, met 1 stijl en 2 stempels
  • Vrucht een 4-delige splitvrucht

M

Uitstaande melde
Uitstaande melde

Meldes en Ganzevoeten lijken veel op elkaar.

Meldes krijgen echter flinke vruchten, ganzevoeten nauwelijks. Bij meldes is de bloeiwijzen en het zaad in een stevig, wittig, driehoekig napje opgeborgen.

Melganzevoet grijsgroene planten, veel kleine bloemen met vlezig bloemdek

 

Melkeppe peterselie-achtig blad met rood puntje, steel melkt, witte schermbloemen.

Moerasspirea De forse, vaak roodbruine stengels zijn niet of alleen bovenaan vertakt. De tot 60 cm lange bladeren zijn afgebroken geveerd met een groot drie- tot vijfdelig topblaadje en twee tot vijf paar, eironde tot langwerpige, meer dan 2 cm grote zijblaadjes. De deelblaadjes en schutblaadjes zijn ongelijk gezaagd en van onderen vaak witviltig. Grote steunblaadjes: kleine bladeren tussen groter blad. Ruikt chemisch. Gelobd, midden groen
Moerasrolklaver holle steel, kelkblaadjes krullen terug.
Bij rolklaver staan de kelkblaadjes tegen de bloem aan.
Moeraswalstro vierkante stengel, enig walstro met blad zonder puntje

O

Ooievaarsbekfamilie

Beemdooievaarsbek kroonbladen helder blauw, soms wit, klein bloemetje
Bermooievaarsbek paarsrode, roze of zelden witte, 1,4-2 cm grote bloemen, ver ingesneden blad, langbehaarde steel, klieren op de vrucht.
Bosooievaarsbek heeft minder ver ingesneden blad
Robertskruid   rode stengel en grover dan reigersbek
Reigersbek      rode tot paarse bloemen  kroonbladeren gedeeld, niet allemaal gelijk van vorm.
Zachte ooievaarsbek heeft korte én lange haren op de stengel

P

Paardenbloem alleen lintbloemen

Phacelia De rechtopstaande, vertakt stengels zijn naar boven toe bedekt met korte haren en lange afstaande borstels

R

Raapzaad

Raket, gewone heel kleine gele bloempjes, ingesneden blad, groeit alle kanten op. Vruchtjes (houwen) liggen dicht langs de stengels
Rode schijnspurrie     roze, kleine bloemetjes. De kleine planten staan rechtop, grotere planten liggen, vaak stervormig uitgespreid op de grond. Ze zijn kleverig behaard. De tegenoverstaande bladeren zijn lijnvormig, hebben een stekelige punt (genaald), niet vlezig en aan beide kanten vlak. De bovenste bladeren groeien in bundels. De zilverige steunblaadjes zijn langwerpig.

S

Schicht?        Altijd ruwbladige

Sla

Gifsla   bladen meestal niet gedraaid. Stekels op de middennerf aan onderkant van blad minder dan 1 mm of ontbrekend.
Kompassla met stekels (langer dan 2 mm) onder aan het blad op de middennerf. Bladeren staan dwars op de stengel: ze geven de richting aan!
Muursla bladen liervormig, voet pijlvormig stengelomvattend. Hoofdjes meestal 5-bloemig.

Slanke waterkers De witte bloemen zijn iets groter dan die van Witte waterkers. De hauwen zijn meestal iets langer (1,5 tot 2,4 cm) en slanker (1½ tot 2 mm) dan die van Witte waterkers. Kleppen met 1 rij zaden.

Sleutelbloemen in drie varieteiten
Primula elatior, Slanke sleutelbloem: stengels zacht behaard, bladeren eirond, bloemen staan in groepjes bij elkaar, lichtgeel, op lange steel.
Primula veris, Gulden sleutelbloem, langwerpige bladen zijn aan de voet het breedst, versmallen plotseling in de steel. Klokvormige kelk en kroon, geel
Primula vulgaris, stengelloze sleutelbloem. Stengel kroezig, wollig behaard, eironde bladeren, geleidelijk in de steel versmald, onderkant behaard, korte bloemstelen, grote bloemen.

Smalle waterweegbree bloeit ’s morgens ; de Grote waterweegbree bloeit ’s middags

Stinkende gouwe is Papaverfamilie! 4 kroonbladen, melkend blad

Stijf ijzerhard Bladen zittend, grof gezaagd. Bloemen in korte en dichte aren die tot tuilvormige bloeiwijzen zijn verenigd. Bloemkroon 5-6,5 bij 3-3,5 mm, blauwachtig roze tot paars. Tuinplant uit Zuid-Amerika, vaak in plantsoenen; vaak verwilderd op stenige, droge plaatsen in Urbane gebieden, waarschijnlijk inburgerend.

Streepzaad

Klein streepzaad Wel blad op stengel, Stengelomvattend blad, Groeit overal,  Allemaal scherp, smal blad. Buitenste omwindselbladen tegen het omwindsel aangedrukt. Binnenste omwindselbladen van binnen kaal.
Groot streepzaad groeit bij rivieren = veel groter dan streepzaad. Buitenste omwindselbladen afstaand. Binnenste omwindselbladen binnen behaard.

T

Tormentil Rozenfamilie. Kruisgewijs tegenoverstaand blad. 4 kroonblaadjes als enige in de rozenfamilie.

V

Valeriaan ( Echte) De stengels zijn kaal. De verspreidstaande bladeren staan in twee rijen. Ze zijn geveerd of veervormig gedeeld met negen tot eenentwintig langwerpige, getande bladslippen. De onderste bladeren zijn gesteeld, de bovenste zijn kleiner en zittend. De bloemen vormen vrijwel ronde kluwens. Ze zijn lichtpaars-roze tot bijna wit en 2½-5 mm.

Veenwortel      blad lijkt op dat van Perzikkruid, maar heeft brede bladaanzet: “billen”.
Watervorm nerven lopen veernervig, flinke opstaande trosvormige bloemen
Landvorm: ronde bladaanzet, droge grond, wordt zelden bloeiend aangetroffen.
Vijfvingerkruid lijkt op boterbloem, maar glanst niet: geen boter op zijn hoofd! in voedselrijke, natte berm. Rozenfamilie. Vijf bladeren, vijf kroonbladeren

 

Viooltjes

Elk viooltje heeft 5 kroonbladen; eentje onder, twee zijdelings en twee bovenaan. Aan de hand van de zijdelingse kroonbladen zijn ze te verdelen in twee groepen. De ene groep heeft zijdelingse kroonbladen, die schuin naar beneden gericht zijn. Bij de andere groep staan ze schuin naar boven.

zijdelingse kroonbladen schuin naar beneden gericht ?

  kroonbladen melkwit tot bleekblauw ? Melkviooltje (rode lijst
  kroonbladen dieppaars ? maarts viooltje
paars spoor? – kelkbladen met spitse punt ? donkersporig bosviooltje (limburg)
  – bladsteel recht afstaand behaard ? ruig viooltje
  – dan moerasviooltje
licht gekleurd spoor? – geen rozet ? Hondsviooltje (rode lijst)
  – lang gesteeld blad ? ingesnoerd spoor bleeksporig bosviooltje
  – kort gesteeld blad ? zandviooltje (zeldzaam)
zijdelingse kroonbladen schuin naar boven gericht ?
  alle kroonbladen geel ? zinkviooltje (rode lijst)
  kroonbladen 3 verschillende kleuren en groeiplaats in de duinen ? duinviooltje (duinen)
  anders, dan driekleurig viooltje of tuinviooltje

Vlasbekje wortelt diep en heeft een kruipende wortelstok De verspreid staande bladeren zijn grijsgroen en 3 tot 8 cm lang. Ze staan dicht op elkaar en zijn lijnvormig tot langwerpig. Ze hebben 1 nerf. De bladrand is gaaf en naar beneden omgerold

Vleugeltjesbloemen

Liggende vleugeltjesbloem heeft minder bloemen dan de gewone, de liggende heeft er tot 10. De langwerpig eivormige blaadjes zijn vaak boven het midden het breedst. Aan de voet van de stengel staan ze tegenover elkaar, maar hogerop staan ze verspreid. Ze zijn naar verhouding korter dan die van Gewone vleugeltjesbloem en Kuifvleugeltjesbloem. De stengels liggen uitgespreid op de grond of zijn opstijgend. Ze zijn aan de voet niet houtig. De bloeiwijze is vrij los, eerst aan het eind van de stengel, maar later ook aan de zijkant door het uitgroeien van een bebladerde spruit. De bloeiwijze bevat maar weinig bloemen. Het zijn kleine trossen van van drie tot tien bloemen. De bloemen zijn helderblauw, soms bleekblauw of roze en 5-6 mm. De kroon is iets langer dan de vleugels.
De trossen van de Gewone vleugeltjesbloem zijn meerbloemiger, 10 tot 40. De 5-8 mm grote bloemen zijn diepblauw, paarsroze of ze zijn licht van kleur tot bijna wit. De bloeiwijze is altijd eigenstandig. De stengels staan rechtop of zijn opstijgend. De blaadjes groeien meestal verspreid langs de stengels. Ze zijn kaal of zwak behaard. De vliezige schutbladen zijn 1-2 mm lang en korter dan de bloemknoppen.

Vlinderbloemenfamilie

  • Kruiden of houtige planten
  • Bladen verspreid, meestal samengesteld, met steunblaadjes
  • Bloemen 2-zijdig symmetrisch
  • Kelk meestal 5-tandig
  • Kroonbladen 5
    • Vlag (1)
    • Bovenste kroonblad
    • Zwaarden (2)
    • Zijdelingse kroonbladen
    • Kiel (3)
    • Onderste 2 vergroeide kroonbladen
  • Meeldraden 10, alle vergroeid of 9 vergroeid en 1 vrij
  • Vruchtbeginsel bovenstandig
  • Vrucht een peul

W

Watergras De ijle bloeiwijze is pluimvormig en bevat veel bloemen. De grijzige takken staan wijd uit. De pluim heeft een dikke hoofdas en is tussen de takkransen iets buikig. De aartjes zijn 2½ tot 4 mm lang en bevatten meestal 2 bloemen, maar soms maar 1 bloem. De kelkkafjes zijn eirond, vliezig, niet of onduidelijk generfd, aan de top vaak gekarteld en veel korter dan het hele aartje. Het bovenste is groter dan het onderste. Makkelijk te verwarren met Moerasbeemdgras ( De grote, ijle bloempluim is glanzend en bevat veel bloemen. Aan de top hangt de pluim vaak over. Na de bloei staat de pluim wijd uit en heeft bijna witte aartjes)

Waterranonkel      heel fijne witte bloemen
Heel veel varianten

Weegbree

Grote   bladen rondachtig tot eirond met afgeronde voet, tredplant
Hertshoorn vgl de vorm blad van de kamerplant
Ruige   lijkt erg veel op de Grote weegbree, maar de bladeren en de bloeistengel zijn sterk behaard. Opvallende lila kleur van de kleine bloemen in de aar.
Smalle lancetvormig blad, parralelnervig

Wilde bertram lijkt qua bloem op duizendblad maar heeft niet ingesneden blad. Wel getand, lancetvormig.

Wilgen

 

Wolfsmelkfamilie – Euphorbia

Tuinwolfsmelk   De bloeiwijze bevat 3 schermstralen. De schijnbloemen zitten half verstopt tussen de driehoekig-eironde schutbladen. Deze zijn even groen als de echte bladeren. De klieren van het omwindsel hebben de vorm van een halve maan en lopen in 2 lange punten uit (halve maan), uitlopend in punten (noormannenhelm)
Kroontjeskruid De bloeiwijze bestaat meestal uit vijf schermstralen, die samen op een kroontje lijken. De honingklieren op de rand van de schijnbloemen zijn eivormig met afgeronde uiteinden, maar als ze iets gebogen zijn, dan staan ze met de holle kant naar binnen.

Z

Zandkool – Diplotaxis

Grote zandkool Bladen veerspletig tot veerdelig met smalle slippen, de eindslip lancetvormig. Kroonbladen 8-14 mm, vrucht 2-6 cm.
Kleine zandkool – Kroonbladen 4-7 1/2mm, vrucht 1,5 – 4,5 cm lang

Zwanenbloem De schermvormige bloeiwijze steekt boven de bladeren uit. De schutbladen van het bloeischerm zijn langwerpig en toegespitst. De bloemen zijn lichtroze met donkerder aderen. De bladeren staan gedraaid als een kurketrekker.

Zuring

Schapen heide, arme grond, klein en met “hoorntjes” bij bladaanzet
Veld     matig voedselrijke grond, Bladen 2-6 x zo lang als breed, naar beneden gerichte, soms in tweeën gespleten voetslippen, niet of weinig gekroesd,     stengelomvattend blad
Ridder rijke grond, wortel- en onderste stengelbladen groot en breed, eirond met diep hartvormige voet.
Krul     gekruld lancetvormig blad, niet of zwak hartvormig
Bermzuring     is de kruising van Krulzuring en Ridderzuring.
Knobbelklaverzuring nieuwe soort, niet in Heukels. De rechtopstaande stengels wortelen niet op de knopen. Ze zijn aangedrukt behaard. De plantjes zijn enigszins polvormend. De groene bladen staan vrijwel tegenover elkaar of ze groeien in groepjes. Tweeslachtig De gele kroonbladen zijn afgerond. Een doosvrucht. Op de zaden zie je onregelmatige richels aan een kant zijn ze wit.

Moeraszuring De groenachtig gele bloemen vormen samen een los vertakte, open bloempluim, met tot bovenaan bebladerde takken. De vruchten hebben 3 vruchtkleppen met dikke, vaak bruinrode knobbels en een stompe top. De langwerpige tanden aan de rand van de vruchtkleppen lopen niet in een lange naald uit en zijn niet langer dan de vruchtklep zelf.
Goudzuring De bloempluim is vrij los vertakt tot kegelvormig met kluwenvormige dicht op elkaar staande schijnkransen. De binnenste bloembladen zijn geelbruin. De tanden zijn eivormig-driehoekig, lang en smal. De vruchtkleppen hebben fijne, naaldvormig versmalde tanden, die voor een deel langer zijn dan vruchtklep zelf. 

Zwart tandzaad           haakjes aan de zaden